Europese werkelijkheid

De Europese Unie heeft niet opgehouden te bestaan na de mislukte top van regeringsleiders, het afgelopen weekeinde in Brussel. Het onderhuidse afbrokkelingsproces dat al maanden gaande is, werd met het fiasco onder leiding van het Italiaanse voorzitterschap bevestigd. Naarmate de Unie zich verder uitbreidt, wordt de spankracht minder. Het gevolg is een informele hergroepering binnen de gemeenschap met Frankrijk en Duitsland als belangrijkste trekkers. Voor de `rijdende trein' waarmee het eenwordingsproces in Brussel altijd zo graag wordt vergeleken, betekent dit vooralsnog – heel toepasselijk bij deze metafoor – vertraging.

Toch hebben de regeringsleiders er verstandig aan gedaan op het belangrijke punt van de institutionele veranderingen na de gebleken diepliggende tegenstellingen geen doorbraak te forceren. Het grondwettelijk handvest is vooral bedoeld om de uitdijende Unie slagvaardiger en doorzichtiger te maken. Dat vraagt onder andere om een zichtbaar en herkenbaar voorzitterschap, een anders samengestelde Europese Commissie en helderder stemverhoudingen binnen de Europese Raad. De uiteindelijke oplossing zal altijd het resultaat zijn van moeizame onderhandelingen. Die mogen ook wel enige tijd kosten. De Intergouvernementele Conferentie waarin deze zaken moesten worden geregeld, is nog maar twee maanden geleden in Rome begonnen. Toen waren er maar weinigen die werkelijk dachten dat dit nog ten tijde van het Italiaans voorzitterschap tot een afronding zou komen. Dat is dus inderdaad niet gebeurd. Wel zegt de gang van zaken iets over de betrekkelijkheid van het instituut van de Europese conventie die het afgelopen anderhalf jaar het ontwerpverdrag heeft voorbereid. Als het om de werkelijke machtsvraag gaat, moet dit Europese poldermodel het toch afleggen.

Of het komend half jaar onder leiding van Ierland als voorzitter wel een akkoord zal worden bereikt, is uiterst twijfelachtig. Dat is zeer verklaarbaar bezien vanuit het (onuitgesproken) belang van verschillende landen. De Spaanse premier Aznar, een van de grote tegenstanders van de voorstellen wegens de verminderde steminvloed voor zijn land, zit bijvoorbeeld dit voorjaar met verkiezingen. Dan zijn er nog de referenda (onder meer in Nederland) die als gevolg van het uitblijven van een akkoord niet doorgaan. Een later resultaat over een nieuw verdrag geeft de regeringen van de betrokken landen meer tijd om te proberen de bestaande uitgesproken negatieve stemming onder de bevolking te doen omslaan. Voor de Nederlandse minister-president Balkenende betekent het voorlopig niet doorgaan van het referendum in elk geval één lastig politiek probleem minder. Met de zeer gereserveerde houding van de VVD tegenover het handvest zit de tegenstelling immers ook midden in de coalitie.

Een ander probleem heeft premier Balkenende na deze top wel op te lossen. De wijze waarop de Duitse minister van Financiën, Hans Eichel, Nederland afgelopen vrijdag de mantel uitveegde door te spreken over het vergiftigen van de sfeer, duidt op ernstig verstoorde bilaterale verhoudingen. De realiteit is dat Duitsland binnen Europa aanzienlijk meer bondgenoten heeft dan Nederland. Het isolement van Nederland begint steeds meer op te vallen. Alleen Nederland zelf kan wat aan deze weinig benijdenswaardige positie doen.