De man

Het jongetje was 's morgens in alle vroegte opgestaan om de kippen op het achtererf te voeren. Er hing een lichte nevel over het land. In de verte zag hij de contouren van de stad waar hij maar af en toe kwam. Soms vergezelde hij zijn vader naar de markt of ging hij zijn oudere broer van school afhalen.

Hij liep het erf af om te zien of de katten in de buurt waren. Ze hadden drie katten, echte boerderijkatten die altijd buiten sliepen. Met de jongste, een pittige cyperse kater, had hij een goede band. Het was een speels diertje, veel aanhaliger dan de oudere katten die met de jaren eenzelviger werden.

Hij riep de kat een paar keer, maar er kwam geen reactie. Hij liep het weiland in waarvan het gras nog bedauwd was. Een eindje verderop zag hij de gestalte van een man die tegen een hekje leunde. Raar, dacht het jongetje, een man die op dit uur bij hun boerderij rondhing.

Zijn nieuwsgierigheid won het van de vage angst die hij voelde. Aarzelend liep hij in de richting van de man. Wat kon hem overkomen? Als de man iets kwaads in de zin had, kon hij zijn ouders schreeuwend waarschuwen. Ze sliepen altijd met het raam open.

De man maakte een gebaar. Zwaaide hij, of wilde hij juist dat hij op afstand bleef? Nee, hij zwaaide wel degelijk.

Het jongetje versnelde zijn stap. Toen hij dichterbij kwam, zag hij dat het een grote, donkere man was, een stuk ouder dan zijn vader. Zijn haar, ook dat van zijn baard, was pluizig en warrig.

,,Dag mijn goede vriend'', zei de man met een bedaarde, donkere stem. Hij had doordringende ogen die hem vriendelijk aankeken. ,,Wat ben jij vroeg op.''

,,Ik moest de kippen voeren'', zei het jongetje haastig.

De man knikte goedkeurend. ,,Jij bent vast een hele steun voor je vader.''

Het jongetje zei niets. Hij voelde zijn knieën toch een beetje week worden nu hij hier voor zo'n grote, vreemde man stond.

,,Wil jij later ook boer worden?'' vroeg de man.

Het jongetje knikte.

,,Dit is een mooi gebied om boer te zijn'', zei de man. Hij wees naar de stad aan de horizon. ,,Daar ben ik opgegroeid. Wij hadden het vroeger arm en ik moest vaak bij de boeren op het land bedelen om eten.'' Zijn stem klonk hees.

,,Heeft u misschien mijn kat gezien?'' vroeg het jongetje.

,,Een cypertje, kan dat?''

,,Ja.''

De man glimlachte. ,,Leuk katje. Hij liep alsmaar miauwend om me heen. Ik was even bang dat hij iedereen op de boerderij wakker zou maken.''

,,Weet u waar hij nu is?''

De man haalde zijn schouders op. ,,Ik zou het echt niet weten. Ik heb even met 'm gespeeld en toen was-ie weg.''

,,Nou, dan ga ik maar weer'', zei het jongetje.

De man keek hem gespannen aan. Hij leek te aarzelen. Toen boog hij zich vertrouwelijk voorover. ,,Zeg maar niet dat je mij hebt gezien'', zei hij. ,,Als je mij dat belooft, zal ik zorgen dat jouw katje weer terugkomt.''

Wat een aardige man, dacht het jongetje.

,,Ik hou meer van dieren dan van mensen'', zei de man.