Berechting door Irak, VS of tribunaal?

Wie moet Saddam Hussein berechten? Het ligt het meest voor de hand dat de Irakezen het zelf doen. Maar daaraan kleven juridisch nog een aantal grote bezwaren.

Saddam Hussein zal de berechting krijgen die hij zelf miljoenen heeft ontzegd, zei de Amerikaanse president Bush gisteren. Het wordt een Iraaks proces, zo heeft de Iraakse regeringsraad direct laten weten. Een paar dagen voor de opzienbarende arrestatie van staatsvijand nummer één had deze raad samen met de voorlopige autoriteit van de coalitie juist de oprichting van een speciaal tribunaal aangekondigd.

Er zijn verschillende alternatieven in discussie geweest, te beginnen met berechting door een Amerikaans tribunaal. Als bezettende macht kunnen de VS volgens de Conventies van Genève oorlogsmisdaden van de tegenstander berechten. Daar is na de eerste Golfoorlog ook al sprake van geweest. Deze formule heeft twee nadelen. Het is een eenzijdige vorm van justitie die afbreuk doet aan de overtuigingskracht van de uitspraken. Bovendien zouden allerlei interne wandaden van het Iraakse regime buiten bereik van de Amerikaanse rechter vallen. Weliswaar zijn er misdrijven die als zo barbaars gelden dat zij overal berecht kunnen worden, maar uitgerekend de VS hebben bezwaar tegen het beginsel van `universele rechtsmacht'.

Veel van deze problemen zijn te ondervangen door instelling van een speciale (ad hoc) internationale rechtbank volgens het model van de straftribunalen voor ex-Joegoslavië en Rwanda. Dit vergt een beslissing van de Veiligheidsraad. Deze zou de legitimiteit van de Amerikaanse operaties in Irak ten goede komen. Een complicatie is wel dat de VN de doodstraf afwijzen. De VS hebben de oprichting van de twee straftribunalen indertijd gesteund maar willen er voor Irak niet aan. Het nieuwe Internationale Strafhof dat in Den Haag is gevestigd valt al meteen af omdat dit slechts bevoegd is voor zaken die na zijn oprichting op 1 juli 2002 voorvallen. Zowel Irak als de VS zijn niet bij dit hof aangesloten en Amerika voert er zelfs campagne tegen.

Volgens het statuut van het Internationale Strafhof verdient berechting van oorlogsmisdaden en misdrijven tegen de menselijkheid door een nationale rechter de voorkeur. Nationale berechting wordt ook gezien als een bijdrage aan de legitimiteit van het nieuwe Irak. De vraag laat zich echter ook omkeren: biedt het nieuwe Irak al voldoende basis voor berechting van Saddam en zijn toptrawanten? De lakmoesproef is of Irak voldoet aan de internationaal vastgelegde minimumeisen voor een eerlijk proces. Deze zijn te vinden in het VN-verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (het BuPo-verdrag).

Een eerste voorwaarde die het BuPo-verdrag stelt is dat de berechting plaatsvindt voor een ,,bevoegd, onafhankelijk en onpartijdig tribunaal dat bij wet is ingesteld''. Deze elementaire eis levert in het geval van Irak complicaties op. De rechterlijke macht van Irak moet zijn onafhankelijkheid nog terugverdienen. Er is een zuivering aan de gang waarvan de uitkomst onduidelijk is. Volgens Amnesty International zijn de criteria voor de zuivering verdacht vaag. Iraakse juristen in ballingschap zijn kwetsbaar voor de klacht dat zij als slachtoffer niet meer onbevangen tegenover de verdachten kunnen staan.

Ook de vereiste wettelijke grondslag van een Iraaks tribunaal geeft problemen. Het land kent immers nog geen democratisch gecontroleerde wetgevende macht. Het is bovendien de bedoeling dat de aanklacht tegen Saddam teruggaat tot 17 juli 1968, de dag dat hij met de Ba'ath partij aan de macht kwam. Het proces omvat dus ook binnenlandse `verdwijningen' en de genocidale acties tegen de Koerden en de moeras-Arabieren. Dat zijn misdrijven die niet louter Irak aangaan maar de hele internationale gemeenschap. Zo vreemd is het dus niet als deze verlangt bij de berechting van Saddam en de zijnen te worden betrokken.

De geschiedenis onderstreept de noodzaak van toenemende internationale bemoeienis.

Na de Eerste Wereldoorlog voorzag het Verdrag van Versailles in berechting van 900 Duitse oorlogsmisdadigers maar dit liep volgens de Amerikaanse volkensrechtsgeleerde Theodor Meron uit op ,,een duidelijke teleurstelling''. De vervolging van Turkse misdrijven tegen de menselijkheid werd zelfs afgewezen. Na de Tweede Wereldoorlog hebben de tribunalen van Neurenberg en Tokio een duidelijke bijdrage aan de rechtsontwikkeling geleverd, niet in de laatste plaats als steun voor de nationale rechters. Maar er heeft altijd de schaduw van ,,overwinnaarsjustitie'' over gehangen. De VN-tribunalen voor Joegoslavië en Rwanda zijn niet zonder kritiek gebleven maar vormen toch een belangrijke doorbraak. Vergelijk slechts de Roemeense dictator Ceausescu, die na de omwenteling op kerstdag 1989 samen met zijn vrouw standrechtelijk werd geëxecuteerd, en zijn Servische collega Miloševic die nu in Den Haag terechtstaat.

    • F. Kuitenbrouwer