Wonen in de kalkrots van Alcalá

In Alcalá del Júcar, een dorp in de binnenlanden van Spanje, is het uithakken van een woning in de rotsen de lokale hobby, schrijft Gerbert van der Aa.

Het landschap belooft weinig goeds. Volgens de reisgids is Alcalá del Júcar een schilderachtig dorp, gebouwd tegen een steile berghelling. Maar nu we het tot op tien kilometer genaderd zijn, wordt de omgeving ineens wel heel lelijk: een kale vlakte met wat moderne boerderijen. Dan duikt de weg een diepe kloof in, en blijkt het allemaal toch nog goed te komen. Honderden witte huisjes schitteren in de zon, in het dal kabbelt de rivier de Júcar.

Het bijzondere aan Alcalá, ongeveer 100 kilometer ten westen van Valencia, is dat veel inwoners hun huizen hebben vergroot door ruimtes uit te hakken in de rotsen. Sommigen zijn daarbij heel ver gegaan. Tientallen meters lange gangen hebben ze dwars door het kalksteen naar de andere kant van de rots gehakt. Als je om de berg heenloopt, door de velden langs de rivier, zie je op grote hoogte in de rotswand ineens diverse rijtjes ramen en een paar balkons.

De grotwoningen liggen bijna allemaal aan de bovenzijde van het dorp. Smalle, steile steegjes leiden erheen. Ze zijn bedekt met een laag geribbeld beton, zodat je niet uitglijdt als het heeft geregend. Auto's passen niet door de steegjes. Jeugdige inwoners die geen zin hebben om te lopen, rijden met een crossmotor omhoog. Geregeld staat er een grommende hond op een straathoek. In Alcalá wonen ongeveer 1.500 mensen, het aantal honden lijkt bijna net zo groot.

,,Een woning uithakken in de rotsen is de lokale hobby'', zegt een oude man die voor een van de grotwoningen op een stoel zit. Zoals sommige mensen in hun vrije tijd in de tuin werken of aan hun auto sleutelen, zo gaan inwoners van Alcalá lekker een middag hakken. Vroeger gebeurde dat met de hand door houwelen te gebruiken, tegenwoordig zijn er in het dorp ook professionele pneumatische drilmachines.

Het grote voordeel van een grotwoning is de temperatuur. Door de natuurlijke isolatie is het in de zomer lekker koel, terwijl het in de winter makkelijk warm is te stoken. Hoewel in sommige grotwoningen open haarden werden aangelegd, zijn in de meeste woningen elektrische kacheltjes de warmtebron. Aan centrale verwarming en gaskachels doen ze hier niet.

Een van de grootste uitgehakte ruimtes in Alcalá doet dienst als café-restaurant. Cuevas de Masago staat boven de ingang. Vanaf de deur leidt een smalle gang, met spaarzame verlichting, naar een grote ruimte aan de andere kant van de rots. Om het instortingsgevaar te verkleinen staan er diverse pilaren, terwijl de plafonds gewelfd zijn. In de ruimte, met witgekalkte muren, klinkt oorverdovende Spaanse hardrock. Aan de bar zitten een paar Spanjaarden aan het bier, de keuken serveert paella.

Bezoekers van het café-restaurant kunnen via een deur naar een balkonnetje, vanwaar ze een prachtig uitzicht hebben op de vallei. Overal groeien pijnbomen, op de oevers van het riviertje liggen moestuintjes. In de diepte wandelt een man die met een stok takken van struiken opzij duwt. Hij is op zoek naar slakken, een van lokale lekkernijen in dit deel van Spanje. Elke middag drinken bejaarde inwoners van Alcalá die op slakkenzoektocht zijn geweest, met z'n allen bier in een bar aan de voet van het dorp. Ze zijn te herkennen aan hun rubberlaarzen en het plastic zakje waarin ze hun vangst hebben verzameld.

Net als de rest van Spanje werd Alcalá in de achtste eeuw veroverd door Arabische legers, die in rap tempo een wereldrijk aan het vestigen waren. Bijna 500 jaar lang was het stadje in Moorse handen. Het werd in de dertiende eeuw terugveroverd door de christelijke koning Alfons VIII. Het zuidelijker gelegen Andalusië zou nog bijna 300 honderd jaar langer in Arabische handen blijven.

In Alcalá zijn nauwelijks cultuuruitingen die aan de Arabische overheersing herinneren. Het enige materiële overblijfsel is het kleine kasteel op de rots boven het dorp, dat wat betreft allure niet kan tippen aan grootse Arabische bouwwerken in steden als Granada en Córdoba. Verder herinnert alleen de Arabisch klinkende muziek uit de streek rond Alcalá aan de bezetting. En natuurlijk de talloze Arabische woorden in de Spaanse taal, zoals aceituna (olijf) en almohada (hoofdkussen).

Op de wandeltocht terug naar beneden, naar de parkeerplaats aan de voet van het dorp, komen we langs een huis waar een aantal mannen druk werkt aan een nieuwe grotwoning. Diep in de rots klinkt het geluid van een drilboor. Een Spanjaard komt met een kruiwagen vol gruis naar buiten en kiept die even verder leeg op de berghelling. Zo lijkt het hier met veel afval te gaan: onderaan de helling ligt het vol met troep.

Afvoer van huisvuil en ander afval is in talloze Spaanse dorpjes uit de Middeleeuwen een probleem. De steile steegjes in Alcalá zijn leuk voor toeristen, maar voor de lokale bevolking erg onhandig omdat auto's er niet doorheen kunnen. Vrijwel alles wat inwoners aan of af willen voeren, moet met spierkracht worden versjouwd. Liften of kabelbanen zijn er niet. Als het uithakken van rotswoningen gaat vervelen, kunnen de inwoners van Alcalá altijd nog aan de slag met de aanleg van deze installaties.

Hoe kom je er?

Vliegtickets naar Alicante of Valencia zijn er vanaf ongeveer 100 euro. Daar kunt u het beste een auto huren. Wie met het openbaar vervoer naar Alcalá del Júcar wil reizen, dient daarvoor veel tijd te reserveren. In het dorpje zijn diverse knusse hotels, met kamerprijzen vanaf 30 euro. Slechts weinig inwoners spreken een andere taal dan Spaans. www.alcaladeljucar.org