Vier wenken voor het koningskind: Bijt van je af

In alle rust opgroeien als een doorsnee Nederlands kind zou misschien wel het mooiste cadeau zijn voor prinses Amalia. Helaas staat nu al vast dat dat niet haalbaar is. De toekomstige kroonprinses staat nu eenmaal in het middelpunt van de belangstelling. Ruime aandacht van de media en hinderlijk volgen door de roddelpers zullen een vast bestanddeel van haar dagelijkse leven zijn. Daarmee leren omgaan en af en toe flink van je afbijten – misschien heeft haar vader nog goede tips? – lijkt hier het beste advies.

De prinses zal dus veel pottenkijkers op haar weg vinden. Als de schijn niet bedriegt, is de kans groot dat ook `de politiek' zich met haar wel en wee zal bemoeien. Staatsrechtelijk is de vraag interessant of dat wel gewenst en nodig is. Als lid van het koninklijk huis en vermoedelijke troonopvolger krijgt de prinses te maken met de typisch Nederlandse opvatting over ministeriële verantwoordelijkheid. Sinds de jaren '60 van de vorige eeuw (huwelijk prinses Irene) gaat men in Haagse kringen uit van de gedachte dat ministers niet alleen in het parlement verantwoordelijk zijn voor de Koning en voor de uitoefening van hun eigen bevoegdheden (als hoofd van een ministerie, in de ministerraad etc.), maar ook voor gedragingen van leden van het koninklijk huis. Als deze leden door hun gedrag het openbaar belang raken – zo is de redenering – dan is de minister-president verantwoording schuldig aan het parlement. Voor een toekomstige kroonprinses geldt daarbij dat haar gedrag al heel snel het openbaar belang raakt, nu zij zo dicht bij de troon staat.

De aldus geconstrueerde ministeriële verantwoordelijkheid is zeer merkwaardig. Leden van het koninklijk huis zijn niet in overheidsdienst. Zij vallen niet onder het gezag van een minister. Deze heeft in beginsel niets te zeggen over hun doen en laten. En toch acht men hem verantwoordelijk. De kapstok voor deze ministeriële verantwoordelijkheid is niet een bevoegdheid, maar `het openbaar belang'. Het zal duidelijk zijn dat de toepassing van dit vage begrip in de praktijk al snel kan leiden tot activering van de ministeriële verantwoordelijkheid. Elke privé-gedraging, elke (veronderstelde) misstap – hoe klein ook – kan ertoe leiden dat de minister-president zich genoodzaakt ziet verantwoording af te leggen in het parlement. Een enkel bericht in de (roddel)pers is voldoende om vast te stellen dat de prinses in opspraak is geraakt, zodat het openbaar belang aan de orde is. Nu zal het de eerste jaren niet zo'n vaart lopen, maar als de kroonprinses wat ouder is (uitgaat, vriendjes krijgt etc.) kan elke min of meer opvallende gedraging leiden tot politieke bemoeienis.

De ministeriële verantwoordelijkheid is daarbij niet vrijblijvend. Omdat de minister-president zich verantwoordelijk acht jegens het parlement, zal hij trachten te voorkomen dat de prinses in opspraak raakt. Met een beroep op zijn verantwoordelijkheid kan hij zijn bemoeienis met het doen en laten van de prinses rechtvaardigen. De premier kan zo uitgroeien tot en soort quasi-voogd die `normen en waarden' in het oog houdt. Er is echter geen reden voor deze bemoeienis, zolang de premier niet een wettelijke bevoegdheid uitoefent jegens de prinses. Dergelijke bevoegdheden zijn er overigens weinig.

Staatsrechtelijk gezien zou het dan ook een mooi cadeau zijn voor de prinses om de huidige praktijk van ministeriële verantwoordelijkheid voor leden van het koninklijk huis af te schaffen. De politiek dient zich in een moderne monarchie zo veel mogelijk afzijdig te houden van het reilen en zeilen van de leden van het koninklijk huis. Alleen in uitzonderingsgevallen, als ministers daadwerkelijk bevoegdheden uitoefenen ten opzichte van die leden (denk aan de toestemmingswet voor een huwelijk of de toekenning van een uitkering) is politieke bemoeienis aan de orde. Laat voor de rest de ouders maar zorg dragen voor haar opvoeding. Dan komt het heus wel goed.

Paul Bovend'Eert is hoogleraar Staatsrecht aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.

    • Paul Bovend'Eert