Requiem

Zwijgen is een daad van patriottisme in de sport. Als topsporter hoor je te leven op de `wolk van het niet-weten'. Een beetje dommig, zou Máxima zeggen, maar zij heeft nooit zes uur op de fiets gezeten. En het strafkamp van Co Adriaanse heeft ze ook niet gekend. Dat scheelt in de openbaarheid van gemoed.

In de omerta vinden de knechten van alle rangen en standen elkaar: de Rabo, manager Jan Raas, de renners Erik Dekker en Michael Boogerd. Ze weten van niets, hebben nooit een weerbarstig pluisje zien vallen in ploeg of peloton, kunnen bij god niet vermoeden waar het mis is gegaan. Samen rond de kerstboom: immer, toujours, always.

Exit Jan Raas.

Met Peter Post verdween vadertje Drees uit het peloton, met het ontslag van Jan Raas is Joop den Uyl een wurmenkoekje geworden. Wielrennen was de laatste hoogmis van het arbeiderisme. Voorganger Raas wist dat als geen ander. Hij, Zeeuw bij geboorte, hield van labeur. Dansers konden geen aanspraak maken op zijn ontferming. In stoempers begroette hij zijn verleden. En zijn verlangen naar heroïek.

Dan ben je bij de Rabo aan het verkeerde adres. Deze bankier van boeren en buitenlui wil juist uit de stallen breken. Weg van de mestgeur. Weg van zweet en tranen. Dior gedverdemme! Toen Michael Boogerd in de Story liet weten dat hij in het huwelijk zou treden met een ex-miss Holland kon het geluk van de Rabo niet meer op. Eindelijk waren ze thuis: tussen de benen van een veredelde buikdanseres.

Het chagrijn Raas paste niet meer in het plaatje. De Rabo wilde vaandeldragers die denken dat ze op wimpers kunnen lopen. Gelakte vazallen, saletjonkers, kerstbal-achtige mousse. Dan kom je al gauw bij Theo de Rooy terecht. Ploegleider van naam en toenaam, maar eigenlijk een geföhnde postzegel. Vriendelijk, goed voor vrouwen, welgemanierd, fluitend de ondergang tegemoet, een plaatje van nederigheid.

De hork Raas kon het schudden.

Zo gaat dat tegenwoordig in het peloton dat meer geïnfecteerd is door balsem dan door meer smeerolie. Diesel is al helemaal uit de mode. Jan wilde renners, geen fluwelen varens. Er moest gevloekt en getierd worden, op de fiets, in de volgauto, na de verloren millimeterspurt. Hijzelf hield het de laatste jaren wat rustiger. Veteranen vertrouwen niemand meer, zelfs niet hun eigen elegantie.

Jan was een man voor Erica Terpstra. Helaas, zij kwam te laat aan het bewind van NOC*NSF. De Rabo was al een stap verder in de wereld. In Qatar of gelijknamige frivoliteiten, niet meer in de polder waar melk de hefboom is van leven en dood. Jan en Erica, grommend in elkaars vet. En altijd met de glimlach, altijd als beloftevolle kanjers in verstandhouding, ik had het wel graag gezien.

Van Herman Wijffels weet ik dat hij een vriend is van Jan Raas. Hij is helaas ook econoom. Economen die het magische denken niet onder controle hebben, zorgen voor veel rampspoed in de wereld. En ook in het peloton. Waarom is de heer Wijffels zo zwijgzaam gebleven bij het ontslag van Jan Raas? Omerta? De bonusdictatuur? Loyaliteit van de oude stempel? Pleinvrees? Hij heeft wel de genade van het woord, maar deze keer gaf het woord niet thuis.

Ik zal Jan Raas missen. Niet dat hij zo'n gezellige klaverjasser was, beslist niet. Maar hij kon heerlijk in kettingtaal praten, in grimassen en zenuwtics. Hij had nog steeds handen als kolenschoppen. De handen van een wielrenner, de handen van wijlen José Maria Jimenez. En hij had droeve ogen. De ogen van een herdershond.

De hold-up van sponsors, het is gemeengoed geworden. Rabo, Nike, ABN Amro, Fortis, zij zijn niet geïnteresseerd in exploten, in heroïek, in drama. Zij willen gel in de haren, mascara om de ogen, fluorescerend geluk in de benen, animositieit, het virtuele orgasme van vrouwen en maîtresses, Anna Kournikova. Jan Raas was allergisch voor de catwalk van sponsors, renners en genodigden. Hij wilde alleen maar winnen, het liefst met renners die met steenpuisten tussen scrotum en anus door bleven gaan alsof er geen groter geluk bestaaat dan de pijn in voetriempjes. Jan wilde lijden aan het succes. Dat is hem door de Rabo niet meer gegund. Hij zal eenzaam sterven. Niet eens zoals Peter Post: in glimmende mocassins en een juichend pochet. Hij zal doodgaan onder het juk van verlies. Alles wat nu nog over Raas wordt gezegd, is een requiem.