PAUSELIJKE STAAT

De pauselijke staat beperkt zich vandaag de dag tot Vaticaanstad en is slechts een kleine 44 hectare groot. Dat was vroeger wel anders.

De eerste `gebieden' verkreeg de kerk via schenkingen van rijke Romeinse families. Volgens de overlevering was het niemand minder dan keizer Constantijn de Grote die het goede voorbeeld gaf door paus Sylvester I het Latheraanse Paleis te schenken.

De pauselijke staat ontstond echter pas echt in de achtste eeuw. In ruil voor kerkelijke erkenning van zijn rechten op de Frankische troon gaf koning Pippijn III in 754 en 756 paus Stephanus III een aantal op de Longobarden veroverde steden en gebieden in het noordoosten van Italië, te weten: Ravenna, Rimini, Pesaro, Fano, Senigallia en Ancona. Deze gebieden vormden samen met de stad Rome het hart van de Pauselijke staat en gedurende de Middeleeuwen regeerde de bisschop van Rome zijn land als een seculier vorst. Op het hoogtepunt van zijn macht in de dertiende en veertiende eeuw omvatte de kerkelijke staat het grootste deel van midden-Italië (van Ferrara in het noorden tot Terracina in het zuiden) en het gebied rond Avignon in Frankrijk.

Pas eind achttiende eeuw begon de wereldlijke macht van de paus af te brokkelen. Als eerste verloor de kerk in 1791 haar gebieden rond Avignon aan de Fransen, die tussen 1796 en 1814 ook de pauselijke gebieden in Italië tot twee maal toe bezetten en zelfs afschaften. Tijdens de Conferentie van Wenen (1815) werd de kerkelijke staat in ere hersteld en onder bescherming van Oostenrijk geplaatst.

Maar veel mocht dat niet baten: zestig jaar later verloor de paus opnieuw al zijn grondgebied. En nu voorgoed. In die periode stuwde Italië zich op in de nationalistische vaart der volkeren en werd het land, onder invloed van de Risorgimento, één; de bonte verzameling koninkrijkjes en invloedsferen werden onder Italiaanse vlag en heerschappij van Victor Emanuel II verenigd. Zo ook de pauselijke staat. Op 20 september 1870 marcheerden Italiaanse troepen de eeuwige stad binnen.

In ruil voor het verlies van zijn grondgebied boden de Italianen paus Pius IX in 1871 een jaarlijkse vergoeding aan. Daarbij was Italië bereid om onder meer het Vaticaan en het Latheraanse paleis als extraterritoriaal te erkennen. Pius IX weigerde het aanbod te accepteren en sloot zichzelf op in het Vaticaan. Deze patstelling, beter bekend als de Romeinse Kwestie, duurde tot 1929. In dat jaar sloten Pius XI en Benito Mussolini het verdrag van Latheranen, waarin de regelingen uit 1871 alsnog bekrachtigd werden. Het katholicisme werd staatsgodsdienst en Italië erkende de volledige onafhankelijkheid en soevereiniteit van Vaticaanstad.