Natte voeten

De zeldzame plantensoorten van het blauwgrasland keren onverwacht snel terug op de plaats waar de soortenarme bemeste weidegrond is afgegraven om de natuur weer een kans te geven. Oude plantenzaden ontkiemen alsnog.

DE SNAVELZEGGE is terug van weggeweest, net als de blonde en de geelgroene zegge. ``Wonderbaarlijk waar al die bijzondere planten ineens vandaan komen'', zegt vegetatieonderzoeker Dick Kerkhof van de stichting Het Zuid-Hollands Landschap. We staan in een voormalig schapenweitje even buiten Berkenwoude in de Krimpenerwaard. Hier is een spectaculair natuurontwikkelingsproject gaande. In 1996 is de grond enkele decimeters afgegraven. Sindsdien hebben tal van bijzondere planten hun opwachting gemaakt.

Vooral de zaden van biezen, russen en zeggen kunnen heel lang in de bodem overleven. Sommige soorten waren hier al 75 jaar niet meer gezien. Ze zijn ooit op de grond gevallen, door gravende bodemdiertjes omlaag gewerkt en in kiemrust gegaan. Nu de verdroogde, veraarde, te voedselrijke bovenlaag van het oude weiland is verdwenen, grijpen die oude plantenzaden alsnog hun kans en kiemen in de natte, kale veengrond.

Omdat de grond na het afgraven helemaal kaal was konden ook kleine, minder groeikrachtige plantjes, bladmossen en levermossen zich vestigen. Overal zie je klokjesgentianen en polletjes teer guichelheil. Langs de slootkant pronkt de zeldzame parnassia, waarvan het fijne stofzaad door de wind wordt verspreid. Maar ook de pilvaren, een soort met zware sporen, heeft zijn opwachting gemaakt. ``Misschien kleven die sporen aan vogelpoten'', oppert Kerkhof. ``Het stikt hier van de vogels.'' Achterin het rietland broeden watersnippen, rietgorzen en rietzangers en verderop zien we een grote, bruinige purperreiger traag op de wieken gaan.

Orchideeën

Blauwgraslanden zijn zompige, schrale graslanden met een grote rijkdom aan bijzondere planten, waaronder allerlei orchideeën. Omstreeks 1900 was bijna de hele Krimpenerwaard één uitgestrekt schraal blauwgrasland. Er werd gehooid, soms liep er vee. Door een snel toenemende bemesting was daarvan een kwart eeuw later nog maar 70 tot 80 hectare over, zo meldt vegetatieonderzoeker D.M. de Vries in zijn proefschrift uit 1924. Hij beschrijft hoe hij op zoek naar de laatste blauwgraslanden ``op de hielen werd gezeten door kunstmeststrooiende, bijwijlen mopperende en schreeuwende boeren.''

In diezelfde tijd beschrijft fysisch geograaf T. Vink, opgegroeid in Berkenwoude, de teloorgang van de blauwgraslanden, waarvan de laatste restanten bijna steeds ``in bezit waren van een of anderen vorm van gemeenschap, die het gemeenschappelijk verwaarloost, en als leelijk, bruin anachronisme heeft laten liggen te midden van het frissche groen der particuliere eigendommen.''

Die snelle verandering in grondgebruik had verschillende oorzaken. De boeren gebruikten kunstmest die toen pas ontdekt en nog behoorlijk duur was om de grond te ontginnen en vervolgens reden ze varkensmest uit. De varkenshouderij maakte begin vorige eeuw een snelle opmars door in het veenweidegebied. Als varkensvoer was er geïmporteerde maïs, die goedkoop werd aangevoerd via de naburige havens van Rotterdam. ``Als de havenarbeiders in Rotterdam staakten, kwamen de boeren uit de Krimpenerwaard als stakingsbrekers zelf die maïs lossen, want die konden ze niet missen'', vertelt Kerkhof. Tegenwoordig is er in de hele Krimpenerwaard nog welgeteld anderhalve hectare origineel blauwgrasland en in de rest van Nederland nog hooguit 100 hectare. ``Hun behoud is van groot belang voor het voortbestaan van tal van zeldzame planten, insecten en paddestoelen'', zegt Dick Kerkhof.

Afgezien van het veranderde grondgebruik is de waterhuishouding in de Krimpenerwaard sterk beïnvloed door de aanleg van de naburige, diepe Zuidplaspolder. Hierdoor ``loopt het veenweidegebied leeg''. Het grondwater zakt weg, de bufferende invloed van kwelwater is verdwenen en daardoor wordt de invloed van zure regen op het maaiveld versterkt. Door de betere bemaling van de polders staat het land 's winters nooit meer blank. Dat alles heeft zijn weerslag op de plantengroei.

Verrassend genoeg ziet het nieuwe blauwgrasland langs de Graafkade in Polder Berkenwoude er een stuk vitaler uit dan het naburige stukje origineel blauwgrasland bij eendenkooi Kooilust, dat Het Zuid-Hollands Landschap sinds 1936 in bezit heeft. Op het oude natuurreservaat is altijd een zo hoog mogelijk waterpeil gehandhaafd, het omringende boerenweiland is echter ontwaterd. Daardoor is de veengrond steeds verder ingeklonken. Het natuurreservaat ligt nu op eenzame hoogte op een soort eilandje, wel een halve meter boven zijn omgeving. Daardoor stroomt het water weg en verdroogt het blauwgrasland. In het nieuwe natuurontwikkelingsproject is de situatie juist andersom: het afgeplagde natuurgebied ligt bijna een halve meter lager dan zijn omgeving en daardoor wordt het hier vanzelf lekker zompig, zelfs na deze droge zomer sopt de grond nog onder je voeten.

Op het niet-afgegraven deel staan een stuk of tien grassoorten en ongeveer evenveel kruiden. Zo zie je hier ruw beemdgras, engels raaigras, rode klaver en madeliefjes. In het afgegraven gedeelte zijn al meer dan 130 soorten vaatplanten en zo'n 50 mossen verschenen. De veengrond veert hier onder je voeten. Bij elke stap dreig je hier een zeldzame plant te pletten. De geelgroene zegge, de snavelzegge, de sterzegge en de zeldzame blonde zegge hebben gezelschap van kenmerkende schraallandplanten als tormentil en veelbloemige veldbies. Al deze typische blauwgraslandplanten houden van een zwak-zuur tot basisch milieu. Grote plakkaten van de blauwe zegge geven het nieuwe blauwgrasland zijn kenmerkende blauwe gloed.

Rietmoerassen

Om het blauwgrasland in stand te houden moet het af en toe overstromen. Vroeger was deze omgeving vooral in de winter en in het voorjaar zo nat dat alleen de dijkjes begaanbaar waren. Het water voert bufferende ionen zoals calcium en magnesium aan, die het effect van de verzuring (de `zure regen') neutraliseren. Er zijn plannen om langs de Lek uitgestrekte rietmoerassen aan te leggen waarin sulfaatrijk rivierwater een zo lang mogelijke weg aflegt en intussen wordt voorgezuiverd voordat het hier in het natuurgebied wordt ingelaten om de verdroging tegen te gaan. ``Periodieke overstromingen met basenrijk water gaan niet alleen verzuring tegen, maar zorgen ook voor de broodnodige dynamiek: het water vervoert allerlei plantenzaden en bovendien ontstaan tijdens overstromingen open plekjes waar nieuwe planten zich kunnen vestigen'', zegt Kerkhof. ``Mogelijk zal zelfs een overstroming met gewoon oppervlaktewater, zo eens in de tien of vijftien jaar, gunstig uitpakken voor de vegetatieontwikkeling.''

Voorheen was de drooglegging hier zo'n 40 tot 50 centimeter. Na het afplaggen is het terrein een stuk lager komen te liggen en daardoor meteen veel natter geworden: het peil staat nu vijf tot tien centimeter beneden het maaiveld. 's Winters staat het terrein soms wekenlang onder water. Het lijkt de zeldzame planten niet te deren, integendeel. De geelgroene zegge, een echte pionier van open plekken, gedijt hier weer als vanouds. De kosten zijn begroot op zo'n duizend euro per hectare per jaar, inclusief inrichting en beheer. ``Niet duur voor zo'n fantastisch resultaat'', vindt Kerkhof. ``Als ik nu door de Krimpenerwaard met al die soortenarme, bemeste graslanden fiets, zie ik overal prachtige kansen. Soms denk ik: Plag die hele Krimpenerwaard maar af.''

    • Marion de Boo