Mississippi toont risico's van rivier-regulering

De komgronden langs de benedenloop van de Mississippi doen nauwelijks meer dienst als overloopgebieden in het geval van hoog water, en hebben daardoor ook hun jaarlijkse `aanwinst' van vruchtbare grond zien verdwijnen. Dat is het gevolg van de sterke regulering van dit deel van de rivier die vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw plaatsvond (Geomorphology, 15 december).

Momenteel is de Mississippi een van de meest gereguleerde rivieren ter wereld, maar in het begin van de twintigste eeuw was daarvan nog nauwelijks sprake. Dat maakt deze rivier – en in het bijzonder zijn benedenloop – uitermate geschikt voor bestudering van de invloeden van die regulering. Die regulering bestaat onder meer uit dammen en stuwmeren, kunstmatige oeverwallen (te vergelijken met de zomerdijken van onze grote rivieren), betonnen versterkingen van oevergedeelten die door erosie worden bedreigd, en een aantal `doorsteken' om de vaarweg tussen opeenvolgende meanderbochten te verkorten.

Deze vormen van regulering hebben op veel plaatsen drastische veranderingen in het gedrag van de rivier teweeggebracht, met daaraan direct gekoppeld veranderingen in het transport van sediment. Beide aspecten hebben grote gevolgen voor de samenleving, onder meer ten aanzien van de bevaarbaarheid van de rivier en van de milieuwaarde van de riviervlakte. Daarmee kan de Mississippi als voorbeeld dienen voor de risico's die menselijk ingrijpen in een complex natuurlijk systeem met zich meebrengt.

De rol van de riviervlakte als zowel opvangbekken als toeleverancier van slib is danig aangetast, vooral doordat plaatsen waar de rivier van nature gemakkelijk een doorbraak door de (ter plaatse lage of zwakke) oeverwal bewerkstelligde bij hoog water, nu zijn verhoogd en/of verstevigd. De rivier blijft hierdoor zijn hoofdgeul volgen (die ook niet meer zo vrij kan meanderen als tevoren), waarbij in tijden van een grote hoeveelheid meegevoerd sediment (voornamelijk in de vorm van fijne zand- en slibdeeltjes in suspensie) geen slib buiten de oeverwallen kan worden afgezet. Op plaatsen in de geul waar de stroomsnelheid afneemt, worden daarom grotere hoeveelheden slib afgezet dan vroeger. Dat draagt ertoe bij dat zand- en modderbanken in de rivier sneller aangroeien. Omgekeerd kan de riviervlakte ook niet meer dienen als een bron van sediment, hetgeen vroeger bij een grote waterafvoer – gepaard met snel stromend water – wel frequent het geval was.

Een en ander impliceert dat de riviervlakte, die in de benedenloop 40 tot 200 kilometer breed is, naar schatting ongeveer 100 km² per jaar aan wetlands kwijt raakt. Er gaan daarom stemmen op deze gebieden jaarlijks weer kunstmatig te laten overstromen.

    • A.J. van Loon