Kunstfotografe tussen weemoed en Dolle Mina

Zij werd in 1910 in Boedapest geboren en groeide op in een welvarend Hongaars joods juristengezin. Eva Besnyö was een melancholiek kind, `verloofd met het verdriet' zoals zij zichzelf in een Hongaarse dichtregel herkende. Op haar vijftiende kreeg zij een eenvoudige boxcamera cadeau, een Kodak Brownie. Na haar eindexamen in 1928 trad zij voor drie dagen in de week, van negen tot twee, in dienst van Josef Pécsi, een bekende fotograaf in Hongarije. Van hem leerde zij het vak, ook de kanten van het vak waar zij een hekel aan had, retoucheren bijvoorbeeld.

In 1930 trok zij naar Berlijn, een aantrekkelijke Hongaarse kunstenaar achterna die daar studeerde bij Laszlo Moholy-Nagy. Deze voormalige Bauhaus-docent, in 1919 uit Hongarije weggetrokken, had met een geruchtmakende publicatie in 1925 de fotografie tot het domein van de beeldende kunst verheven.

In haar Berlijnse jaren, van 1930 tot en met 1932, fotografeert Eva Besnyö haar mooiste werken die zo het bestaansrecht van het door Moholy-Nagy nieuw verworven gebied van avant-garde kunst bewijzen. De sterk grafische zwart-wit voorstellingen zijn toonbeelden van de Nieuwe Fotografie. Helder en zakelijk, ongewone camerastandpunten, de composities beheerst door diagonale lijnen en een rijk geschakeerde beweging van schaduw en licht.

Voor die ongewone camerastandpunten deed zij niet al te veel moeite, meestal uit het raam of van het balkon op driehoog. En om het onderste uit de kan te halen als het gaat om de werking van schaduw en licht, koos zij vaak voor de laagste zonnestand. Een Berlijnfoto uit 1931 van een hoek van de Starnberner Strasse is daarvan een fantastisch voorbeeld. Een rechte straathoek met een ruim, afgeschuind trottoir met een ronde reclamezuil, een treeplank-taxi die door vier kinderen wordt belaagd, drie wandelaars en een man die zijn hond uitlaat. Het in dramatisch licht en schaduw gevangen beeld kan wedijveren met de schilderijen van De Chirico.

Het jaar 1931 was ook het jaar van de `Mona Lisa' van Eva Besnyö. Het jongetje met de veel te grote cello op zijn rug. Het is een foto gemaakt van het balkon van een villa aan het Balatonmeer in Hongarije waar zij met haar familie op vakantie was. Er kwam een vier man sterk zigeunerorkestje langs, drie violen en een cello, de laatste uitgerekend voor de kleinste. De muziek was niet om aan te horen, zei ze later. Maar het beeld was goud waard. Eerst de vier in opperste concentratie onder het balkon dat als hoekige slagschaduw een podium vormt. Dan een opname van de kleine cellist die met een oneindig weemoedige blik zijn hoofd laat rusten op de steel van zijn instrument. Op de derde foto, de Mona Lisa, heeft het ventje de cello op zijn rug gegord en loopt hij weg door een lange bomenlaan. De strijkstok in zijn linkerhand.

Na de glorieuze Berlijnse jaren nam de joodse fotografe in de herfst van 1932 de wijk naar Amsterdam. De nazi-dreiging was één motief om naar het westen te reizen, maar de vriendschap met haar latere echtgenoot, de Nederlandse filmer John Fernhout, was minstens even belangrijk.

Hier kwam zij terecht in het libertaire milieu van de moeder van John Fernhout, de kunstenares Charley Toorop. De wereld van Gerrit Rietveld, Jany Roland Holst, Joris Ivens en ook van de architecten van de groep `de 8 en Opbouw', Merkelbach, Duiker, Van Loghem. Zij ging zich met succes wijden aan architectuurfotografie en maakte af en toe een zijsprongetje naar de mode.

Haar prachtige foto's van het bombardement op Rotterdam beschouwde zij als het einde van haar `esthetische fotografie'. Zij vond ze te mooi. Van verwoestingen mag je geen prachtige foto's maken, was haar oordeel.

In de jaren na de oorlog wijdde zij zich aan haar gezin met twee kinderen. En in deze jaren was maar al te waar wat zij ooit zei ,,Als ik met een camera loop zie ik dingen. Met een boodschappentas loop ik aan alles voorbij.''

Het duurde tot 1968 voor dat zij weer begon met fotograferen. Gegrepen door Dolle Mina, wierp zij zich op als hoffotograaf van de vrouwenbeweging. Ineens was zij wat zij nooit had willen zijn: een reportagefotograaf. Het gaf haar geweldig veel voldoening om onderdeel te zijn van ,,het levende, warme geheel'', dat de emancipatiebeweging voor haar betekende. Dat haar fotografie van de kunst naar de journalistiek was gedegradeerd, zal haar alleen maar hebben geamuseeerd.

    • Max van Rooy