Kruisen in de Gobi

Overblijfselen van de middeleeuwse Nestorianen in Binnen-Mongolië zijn in rap tempo aan het verdwijnen. Tjalling Halbertsma inventariseert als een der weinigen wat er nog resteert.

HET IS EEN verloren wereld. Van het middeleeuwse rijk van de Öngöt in Binnen-Mongolië – onder de vleugels van het Chinese keizerrijk van Kublai Khan en zijn opvolgers – zijn alleen nog wat grafstenen over, met intrigerende christelijk-Nestoriaanse kruisen van de vele Öngöt-christenen. Het nestoriaanse christendom is een afscheiding van het katholicisme in de vijfde eeuw, en werd vooral populair in Centraal-Azie. Nu en dan wordt in de Gobi-woestijn een ruïne van een verlaten Öngöt-stad gevonden. De Turkse taal van dit overigens in meerderheid islamitische volk, geschreven in Syrische letters, is wel ontcijferd, maar veel inscripties zijn nog altijd onvertaald. Maar één man is vastbesloten de opmerkelijke mengcultuur (christelijk-Chinees-Turks-Mongools) uit de dertiende en veertiende eeuw aan de vergetelheid te ontrukken.

``Bijna niemand houdt zich bezig met het verzamelen van nieuw materiaal over deze cultuur'', vertelt de Nederlander Tjalling Halbertsma, consultant te Peking èn sinds een paar jaar persoonlijk adviseur van de premier van de Republiek Mongolië (een onafhankelijk land ingeklemd tussen Siberië en China). Halbertsma, opgeleid als antropoloog en jurist, was vorige maand even in Nederland voor de presentatie van zijn nieuwe bundelreisverhalen (Steppeland. Berichten uit Mongolië, Hollandia/Dominicus). Ook maakte hij afspraken over zijn komende proefschrift over de Öngöt bij de Leidse hoogleraren Maghiel van Crevel (Chinese literatuur) en Barend ter Haar (Chinese geschiedenis). ``De vraag is natuurlijk: hoe passen de Öngöt in de Centraal-Aziatische cultuur? Hoe bijzonder is deze iconografie?''

Halbertsma (1969) raakte geïnteresseerd in de Öngöt toen hij in 2000 in een antiquariaat in Peking stuitte op een tijdschrift met schetsen van Bettina Lum, een Amerikaans vrouw die in 1936 door Binnen-Mongolië had rondgetrokken. Ze kwam terug met een schetsboek vol lotusbloemen en kruisen. In het tijdschrift stonden keurig de vindplaatsen vermeld, met kaartjes en al. Ook bleken Japanse expedities in de jaren dertig materiaal te hebben verzameld. In 2001 trok Halbertsma er zelf op uit. En al snel kreeg hij een subsidie van de Leidse sinologische Hulsewé-Wazniewski-Stichting om zo veel mogelijk stenen te inventariseren. ``Het gaat nu vooral om inventarisatie, voordat de stenen echt verloren gaan'', zegt Halbertsma. ``De interpretatie komt later.'' Volgend jaar komt er een tentoonstelling in Leiden.

Bloeitijd

In zijn boek De verloren lotuskruisen (Altamira-Becht 2002) vertelt Halbertsma over de lotgevallen van het christendom in China: de eerste bloeitijd onder de tolerante Tang-dynastie (618-907), de verdwijning daarna en de terugkeer onder de Mongoolse Yuan-dynastie (1271-1368). ``Kublai Khan had een nestoriaanse moeder en er ontstond weer een tolerante sfeer voor de christenen.'' In zijn recent verschenen Steppeland. Berichten uit Mongolië (Hollandia-Dominicus 2003) doet Halbertsma vooral verslag van zijn belevenissen in Mongolië. De hoofdstad Ulanbator bestaat nog altijd voor meer dan de helft uit grote tenten, de beroemde Mongools ger. Binnen-Mongolie wordt echter in hoog tempoChinees, op iedere autochtone Mongool wonen er nu al 8 Chinezen. Halbertsma reist vaak vanuit Peking naar Ulanbator via Binnen-Mongolië, om te kijken wat er nog over is van de oude culturen. ``Formeel is het gebied nog altijd gesloten voor buitenlanders, maar als je voorzichtig bent krijg je geen problemen.''

Onlangs achterhaalde Halbertsma een bijzondere grafsteen die in 1982 in de Gobi-woestijn is gevonden, met drie teksten in het Chinees, Syrisch en een Uigur schrift. ``Nooit vertaald, nooit gepubliceerd, terwijl het toch een soort steen van Rosetta is.'' De steen bleek te worden bewaard in het Cultureel Erfgoed Bureau in de hoofdstad van Binnen-Mongolië, Hohnot (`de Blauwe Stad'). Niet lang na het gesprek in Nederland stuurt Halbertsma vanuit Ulanbator een email dat hij al weer even in Binnen-Mogolië is geweest en eindelijk een wrijfprent heeft kunnen maken van de `Rosetta'-steen. De studie kan eindelijk beginnen.

De steen werd gevonden in een verlate stad in de Gobi, die nu in het Mongools Olon Sume In Tor wordt genoemd: `stad met de vele ruïnes'. Resten van vier kilometer lange stadsmuren geven het belang aan van de stad, die verdween toen een naburige rivier verzandde. De echte naam is vergeten. Deze stopplaats voor karavanen is in de dertiende eeuw gesticht (op de plaats van een oudere stad) door de Öngöt-koning Guo Liguse, die zich bekeerd had tot het Nestoriaanse christendom. Guo Liguse is de Chinese transcriptie van George – een echt christelijke naam. In Olom Sume In Tor zijn ook resten gevonden van een kerk met gothische invloeden.

Lyrisch beschrijft Halbertsma de bijzondere iconografie op de steen met de tekst in drie talen, typisch voor de Öngöt-gebied. ``Hier, een typisch boeddhistische lotusbloem, maar nu met een Nestoriaans kruis erin, en onder een echt klassiek Chinese wolkenpartij. Vaak zie je er ook nog een Chinees altaartafeltje bij, met draken die alles vasthouden. Of kijk hier: dit zijn toch typisch Romeinse wijnranken, met een Nestoriaans kruis. Toen ik deze foto in het British Museum aan deskundigen liet zien, vonden ze het treffend dat dit zo ver naar het oosten was aangetroffen. Aan de westrand van China zie je wel meer van dit soort vermengingen. Je ziet op de Nestoriaanse stenen ook vaak een golfmotief waarmee in Mongolië en Noord-China nog altijd meubels, tapijten en andere objecten versierd worden. Dit is dus mijn fascinatie.''

Koopman

Het Turkse volk van de Öngöt is groot geworden in het kielzog van de Mongolen. Halbertsma: ``Zij waren een van de eerste volkeren die trouw zwoeren aan Djengis Khan, begin dertiende eeuw.'' Nu kijkt in China vrijwel niemand nog om naar hun geschiedenis. ``Ja, er is een koopman in Hohnot, die verzamelt gouden kruizen. En er is Wei Jian, verbonden aan het Cultural Relics Bureau in Hohnot. Dat bureau doet wel reddingsopgravingen als stenen of graven verloren dreigen te gaan. Wei verzamelt ook wrijfprenten (rubbings) van christelijke grafstenen. Maar ik heb vele andere gedocumenteerd die ik gevonden heb in het veld en in boerenhuizen waar ze als bouwmateriaal zijn gebruikt.''

Halbertsma heeft er ongeveer veertig. ``Ik neem nooit een steen mee.'' Er is nog altijd veel te vinden. De grote stenen blijven in het dun bevolkte gebied lang liggen en ze zijn meestal te zwaar om te roven. ``Alhoewel, ik zag pas een steen in een antiekwinkel in Hohhot liggen die ik in 2001 nog in het veld had gezien. Vooral in periodes van langdurige droogte, zoals nu, zijn grafroof en illegale archeologie populair als bijverdienste in Binnen-Mongolië. Ik praat regelmatig met dat soort plunderaars. Je komt ze toch tegen en ze zien me niet als concurrent. Maar informatie geef ik ze niet, natuurlijk. Ze doen hun research trouwens voortreffelijk.''

    • Hendrik Spiering