Kerkfusies zijn geen unicum

Kerkfusies zijn geen unicum in de vaderlandse geschiedenis. Twee Lutherse kerken kwamen vonden elkaar de vorige eeuw. De grootste en bekendste fusie is echter de `Vereniging' van 1892 tussen de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduits Gereformeerde Kerken. Beide kerkverbanden waren ontstaan uit onvrede over het liberale, modernistisch theologische klimaat in de Nederlands Hervormde staatskerk:

De Christelijke Gereformeerde Kerk was het resultaat van de zogeheten Afscheiding, die in 1834 in de provincie Groningen begon en zich van daaruit over het land uitbreidde. De bekendste voorman van de Afscheiding was ds. Hendrik de Cock uit Ulrum. Andere bekende predikanten uit deze kring waren H.P. Scholte, A.Brummelman, J. van Raalte, W.H.Gispen en J.H. Donner. Scholte en Van Raalte vertrokken later naar Amerika. De Christelijke Gereformeerde Kerk stichtte een Theologische Hogeschool in Kampen. In 1892 telde deze kerk 189.251 leden en 305 predikanten, op een totale bevolking van circa vijf miljoen.

De Nederduits Gereformeerde Kerken waren het resultaat van de zogeheten Doleantie (doleren = klagen), een uittocht uit de hervormde kerk onder leiding van de theoloog en predikant Abraham Kuyper. Hielden de Afgescheidenen zich wat afzijdig van de wereld, Abraham Kuyper zag daar juist een taak voor de kerk. Het calvinisme beschouwde hij als het beste wapen om de confrontatie met de cultuur aan te gaan. Dat hij een krachtige persoonlijkheid was, blijkt uit het feit dat hij in 1872 het dagblad De Standaard oprichtte, in 1877 het weekblad De Heraut, in 1879 de Antirevolutionaire Partij en in 1880 de Vrije Universiteit (vrij van overheidsbemoeiing). De Nederduits Gereformeerde Kerken telden in 1892 181.017 leden en 120 predikanten.

Na een reeks van verkennende besprekingen hielden de synodes van de twee kerken in juni 1892 hun laatste afzonderlijke vergaderingen in Amsterdam. Ook toen werd hevig gebakkeleid over de naam van de nieuwe kerk. Uiteindelijk legde de christelijk-gereformeerde synode zich neer bij `De Gereformeerde Kerken in Nederland'. Onder die naam fuseerden de twee kerken op 17 juni 1892. De plechtigheid vond plaats in de Keizersgrachtkerk in Amsterdam. De bijeenkomst werd geopend door de christelijk-gereformeerde predikant W.H. Gispen en gesloten door Abraham Kuyper. In totaal waren er 700 plaatselijke gemeentes. In 112 plaatsen was er op dat moment zowel een kerk van de Afscheiding (A) als een uit de Doleantie (B). In de loop der jaren zouden deze A- en B-kerken geleidelijk naar elkaar toe groeien. De laatste plaatselijke vereniging van A en B was in 1935 in Vollenhove. De theologische opleidingen in Kampen (A) aan de VU (B) bleven naast elkaar bestaan.

Uiteindelijk ging een klein deel van de betrokkenen, waaronder de plaatselijke christelijke-gereformeerde kerken in Noordeloos, Twelloo en Zierikzee, niet mee met de fusie van 1892 omdat men bedenkingen had tegen Kuypers autoritaire leiderschap en diens rationalistische geloofsopvattingen. Men had geen zin in een organisatorische eenheid als er niet eerst geestelijke eenheid was. In andere plaatsen belegden christelijk-gereformeerden weldra afzonderlijke diensten, waaruit de nieuwe zelfstandige Christelijke Gereformeerde Kerken ontstonden met een eigen theologische opleiding in Apeldoorn.