Hoofddoekverbod

Het dragen van tekens en kleding door leerlingen op school, waardoor zij blijk geven van een godsdienstige opvatting, is op zichzelf niet onverenigbaar met het beginsel van de scheiding van kerk en staat. Dit zei de Franse Raad van State in november 1989 naar aanleiding van een conflict over islamitische hoofddoeken in de plaats Creil. Het college trok de grens bij ,,demonstratief'' vertoon van dergelijke insignia. De toepassing van dit algemene beginsel werd goeddeels overgelaten aan de leiding van de verschillende scholen en aan plaatselijke regels. Een speciale commissie heeft nu president Chirac geadviseerd de grens te leggen bij ,,opzichtige'' uitingen en deze neer te leggen in een algemeen wettelijk verbod. Ook nu gaat het vooral om de hoofddoek. Het advies is niet los te denken van het speciale karakter van het Franse onderwijsbestel, met voorop het beginsel van laicité, de scheiding van kerk en staat. Ook de centrale regie van het Franse onderwijsbestel speelt een rol. In het geval van de hoofddoek is verder van belang dat Frankrijk het bestaan van nationale minderheden in sterke mate ontkent. De republiek is één en ondeelbaar.

Dit kader contrasteert met de situatie in een land als Nederland, al was het alleen maar omdat onze grondwet een speciale plaats inruimt voor confessioneel onderwijs. Bijzondere scholen mogen de hoofddoek weren als zij aannemelijk kunnen maken dat hun grondslag dit vereist, zegt een leidraad van minister Van der Hoeven (Onderwijs). Het openbaar onderwijs mag zulke eisen niet stellen, al kan het wel kledingstukken weren als deze bijvoorbeeld een goede communicatie belemmeren. Dat geldt met name voor gezichtbedekkende sluiers als de burka en de niqaab. Voorop staat echter dat het openbaar onderwijs is ingericht ,,met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging''.

Deze algemene stelregel geeft niet zonder meer een antwoord op de risico's van pressie, proselitisme (bekeringsijver), propaganda of provocatie waarop de Franse Raad van State in 1989 wees. Het dulden van de hoofddoek is niet zonder meer de ,,goede lakmoesproef voor de mate van daadwerkelijke tolerantie'', die daar in mensenrechtenkring wel van is gemaakt. Deze uiting van godsdienstige overtuiging wordt immers uitgedragen in gezelschap van anderen die daar op grond van hún overtuiging pijnlijk door kunnen worden getroffen. Bijvoorbeeld omdat de hoofddoek moeilijk te verenigen valt met gelijkberechtiging van man en vrouw – óók een grondwettelijk erkend principe. De hoorzittingen van de Franse commissie leverden aangrijpende getuigenissen op over de hoofddoek als symbool van onderdrukking.

Het Duitse federale constitutionele hof heeft in 1995 het protest gehonoreerd van vrijzinnige ouders tegen de traditionele crucifix – een beeld van een dode bebloede man aan een kruis – waarmee hun kind werd geconfronteerd in een openbare school in Beieren. Een Italiaanse rechter volgde onlangs dit voorbeeld. Als bepaalde klassieke uitingen van geloof in klaslokalen niet meer heilig zijn, heeft dat ook gevolgen voor nieuwe. Of een wettelijk verbod van hoofddoekjes op school uitkomst biedt, valt ernstig te betwijfelen. Het voorstel is ook in Frankrijk zelf omstreden. In de Nederlandse verhoudingen zou zo'n oekaze slechts een premie stellen op de oprichting van islamitische scholen, want als het bijzonder onderwijs de hoofddoek kan weren kan het deze ook voorschrijven. De premie zou bovendien wel eens kunnen worden betaald door buitenlandse donateurs met hun eigen agenda.