Een Hollandse meester

Het was, zou je met enig vrijmoedig associëren kunnen zeggen, de week van de Oude Hollandse Meesters. Rembrandt uiteraard. Onder het oog van de internationale pers werd De Nachtwacht wegens een verbouwing van het Rijksmuseum met uiterste behoedzaamheid verplaatst naar de zuidvleugel, waar bezoekers uit alle windstreken zich de komende jaren zullen verdringen voor het korporaalschap van Frans Banning Cocq. De Cock, zei men op de radio, gewend aan Baantjer, je hoorde er ongewild `met c-o-c-k' achteraan. Maar goed, dat doet niet af aan de vrijwel grenzenloze eerbied voor een cultuurschat waarvan iedereen weet dat het aan de mensheid als geheel en dus aan ieder van ons toebehoort. Zo kon het gebeuren dat een tijdelijke verhuizing van een schilderij deze week wereldnieuws uit Nederland was, opzienbarender nog dan een koninklijke geboorte.

En Vermeer, zeker, ook Johannes Vermeer was in het nieuws, zij het niet rechtstreeks. Dit is lastiger uit te leggen. Cees Nooteboom krijgt de P.C. Hooftprijs en wie Nooteboom zegt, die zegt Vermeer.

Een jaar geleden publiceerde de Neue Zürcher Zeitung een essay van Nooteboom over zijn lievelingsmuseum, dat zich in zijn hoofd bevindt, en waar uitsluitend Vermeers hangen. Vrijwel alles wat je over kunst kunt zeggen is arbitrair, zegt Nooteboom, maar toch, hij trekt Vermeer voor, omdat hij van diens vrouwen houdt; en als hij in Washington kijkt naar het meisje met de rode hoed, verstaat hij haar: ,,deze landgenote die mijn taal sprak, die ik bijna aan kan raken, die naar me kijkt met haar zo Hollandse blik vanuit de zachte schaduw onder die kardinaalsrode, wilde hoed die haar stilte nog stiller maakt, zo'n stilte waarin je een klok hoort tikken in een Hollands binnenhuis, alle wrede secondes die me van haar scheiden, een astronomisch getal dat in drie eeuwen zit vastgenageld en dat ik niet uit kan spreken.''

Nootebooms lievelingsmuseum, buiten dat kleine museum in zijn hoofd, is het Mauritshuis in Den Haag, zijn geboortestad, waar drie Vermeers hangen en waar Proust in 1902 op bezoek kwam om het Gezicht op Delft te zien. Nooteboom staat voor het schilderij. Hij vraagt zich af of het zíjn ogen zijn die kijken, of die van Proust, of die van het personage Bergotte die, bij het zien van een klein geel muurvlak op het schilderij, weet dat hij van die ene lichtende vlek had moeten leren hoe hij anders had moeten schrijven, en sterft.

Nooteboom ziet dat Proust het schilderij nóg eens heeft geschilderd. ,,Grote kunst wordt voortdurend opnieuw gemaakt omdat er steeds opnieuw mensen gemaakt worden die ernaar kijken. Straks zal diezelfde gele vlek een andere chemische verbinding aangaan met ogen uit de 23ste eeuw.'' In zijn bewondering voor Vermeer ligt de poëtica van Nooteboom verscholen, niet alleen omdat hij door de schilderijen zo hevig wordt beroerd, en niet alleen omdat het genie van Vermeer in Den Haag woonde, maar omdat de schilder binnendrong in verborgen interieurs, ,,die we niet kunnen zien en waarin hij de altijd onzichtbare derde was, de man die er niet kon zijn, de man die met het licht meekeek naar de verschrikkelijke intimiteit van mensen alleen of met zijn tweeën in hun kamers.''

Beter dan in deze, zijn eigen, woorden kan het schrijverschap van Nooteboom moeilijk worden getypeerd: de onzichtbare derde, de man die er niet kon zijn, kijkend `met het licht mee'. Het is verleidelijk de parallel verder door te trekken: Vermeer, die ondanks zijn betoverende nabijheid internationaal vanouds meer de aandacht trok en meer bewondering oogstte dan in het eigen land, en Nooteboom, die in het buitenland de ene prestigieuze prijs na de andere kreeg, maar pas nu wordt bekroond met de P.C. Hooftprijs, de belangrijkste Nederlandse oeuvreprijs.

Is Nooteboom te lang miskend geweest in zijn eigen land? Ik denk niet dat een bekroning op zichzelf toe of af doet aan de betekenis van een kunstenaarschap. Daarover oordelen latere generaties en, om met de laureaat te spreken, vrijwel alles wat je over kunst kunt zeggen is arbitrair. Cees Nooteboom heeft zich wel eens afgevraagd hoe oud hij moest worden alvorens hem deze onderscheiding ten deel zou vallen. De leeftijd van een schrijver kan inderdaad van invloed zijn. Een jury is soms bang te laat te komen. Ik zat toevallig in de jury die de P.C. Hooftprijs toekende aan de kort daarna overleden F.B. Hotz. Hetzelfde gebeurde met de honderdjarige Arthur Lehning en met Sem Dresden. Toch zou het cynisch zijn in dit verband van een afscheidsprijs te spreken.

De bekroning van Cees Nooteboom is gerechtigheid, want het was hoog tijd voor erkenning in eigen land van zijn meesterschap. Maar het is nu wel weer even genoeg geweest met het wachten tot schrijvers de zeventig zijn gepasseerd: er zijn inmiddels meer dan genoeg jongere schrijvers die een respectabel oeuvre hebben opgebouwd dat een P.C. Hooftprijs verdient, A.F.Th. van der Heijden, Joost Zwagerman, Renate Dorrestein, Astrid Roemer, Mensje van Keulen, en binnen tien jaar Arnon Grunberg/Marek van der Jagt, om maar enkele oeuvrebouwers te noemen. Meesterschap is niet aan leeftijd gebonden. Johannes Vermeer is 43 jaar geworden.

De toekenning van een klassieke onderscheiding als de P.C. Hooftprijs betekent dat een schrijver een oeuvre heeft opgebouwd dat naar het oordeel van een jury van tijdgenoten deel uitmaakt van de literaire canon. Dat is het grote verschil met bijvoorbeeld de AKO- of de Librisprijs die een enkel boek bekronen, waarvan vaak nog maar moet worden afgewacht of het de mode van de dag zal overleven. De vorming of instandhouding van een literaire canon is omstreden als dwingend, elitair, monocultureel, nationalistisch, etc. Allemaal onzin, lijkt me. Wij kunnen niet buiten het idee van een gemeenschappelijk cultuurbezit, een referentiekader voor de literatuurkritiek, het onderwijs en de lezers, wij kunnen niet buiten het idee van boeken die zullen blijven, datgene waar het voor Cees Nooteboom allemaal om begonnen is, ,,het gelukte wonder van de transformatie, de alchemistische tovenarij waarmee een schrijver een tijdperk en een wereldbeeld heeft weergegeven (...)'' (Uit: Nootebooms hotel, 2002).

Hoe de Nederlandse literaire canon er precies uitziet, daarover zullen altijd verschillende meningen bestaan. Maar ik ken niet één inventarisatie van belangrijke Nederlandse schrijver waarin Cees Nooteboom ontbreekt. Van deze zeventigjarige mag wel worden gezegd dat hij, die zoveel lauweren oogstte over de grenzen, onomstotelijk is gaan behoren tot de Oude Hollandse Meesters.

Dit is de laatste bijdrage van Elsbeth Etty op deze plaats. Zij zet haar column tweewekelijks voort op de opiniepagina.

    • Elsbeth Etty