Dichtersdochters

Het droeve lot van Dido echoot na in de Noord-Afrikaanse literatuur. Aldus Pieter Steinz in het 50ste deel van de serie lezen op locatie.

Overigens ben ik van mening dat het allemaal begonnen is met de Romeinse dichter Vergilius. In zijn onvoltooide epos Aeneis laat hij de uit brandend Troje gevluchte titelheld stranden op de kust van Noord-Afrika. In het nabijgelegen Carthago wordt Aeneas gastvrij onthaald door koningin Dido, die een hopeloze liefde voor hem opvat. Hopeloos omdat Aeneas een gebonden man is: hij is in opdracht van de goden op weg naar Italië, om daar de grondlegger te worden van het Romeinse Rijk. Plichtsgetrouw tot in zijn merg, verkiest Aeneas de zaken boven het meisje. Als hij de haven van Carthago verlaat, werpt de afgewezen minnares zich op een hoge brandstapel in een door Aeneas gegeven zwaard. Stervend vervloekt ze Aeneas en roept ze de haat van haar volk over diens nazaten af. Uit haar dode botten, zo voorspelt ze, zal een wreker oprijzen, die de Trojaanse kolonisten te vuur en te zwaard zal bevechten.

Die wreker kwam er, meer dan duizend jaar later, in de persoon van de Carthaagse held Hannibal, die de Romeinen in het laatste kwart van de derde eeuw voor Christus bijna op de knieën dwong – een gebeurtenis die de pennen van historici, dichters en romanciers in beweging heeft gezet. Maar literair nog voorspellender was Dido's droeve lot. Zij is de stammoeder van een reeks tragische heldinnen die in Noord-Afrika onzacht in aanraking komen met trouweloze, heerszuchtige, door de goden verblinde mannen. Flauberts Salammbô, de Carthaagse generaalsdochter die het middelpunt wordt van een burgeroorlog, is er in de literatuurgeschiedenis een vroeg voorbeeld van. Anderhalve eeuw later beheersen sterke, door het fundamentalisme gemaltraiteerde vrouwen vooral de Frans-Algerijnse literatuur – of het nu in de verhalen van Assia Djebar (bekend van het in Nederland controversiële toneelstuk Aïsha) is, of in de romans van Malika Mokeddem, Nina Bouraoui en Leïla Marouane.

Het opkomend fundamentalisme en de dictatoriale regimes hebben de in Noord-Afrika gesitueerde literatuur er niet vrolijker op gemaakt. Wie liever een lichtere toets aangeslagen ziet worden, leze de Nederlandse schrijvers van Marokkaanse afkomst. Abdelkader Benali bijvoorbeeld, die debuteerde met een hilarische roman over huwelijksperikelen en een op hol geslagen taxichauffeur. Of Hafid Bouazza, die onlangs het succes van zijn absurdistische debuutbundel De voeten van Abdullah evenaarde met de roman Paravion. En over vliegtuigen gesproken: ook Le petit prince van piloot-schrijver Antoine de Saint-Exupéry, de koning van de lichte filosofie, heeft Marokko als decor.

Volgende week Canada. Reacties: steinz@nrc.nl

    • Pieter Steinz