Wroeten in lichaam en ziel

Het aardse bestaan werd voor de achttiende-eeuwse burger niet langer een aanloopje naar het hiernamaals, maar een doel op zich. Hij ging zich vragen stellen over zijn eigen identiteit en zijn doel in dit leven. Maar zelfreflectie verloste hem niet van lichamelijke kwalen.

Het manuscript van zijn nieuwste boek had Roy Porter nog maar net bij zijn uitgever ingeleverd toen hij in maart 2002 dood van zijn fiets viel. Vijfenvijftig jaar oud en sinds kort genietend van een welverdiende vut, na ruim twintig jaar verbonden te zijn geweest aan het Wellcome Institute for the History of Medicine in Londen. Het waren jaren van ongehoorde productiviteit, waarin zijn werklust, eruditie en enthousiasme hem een grote reputatie bezorgden in de (medisch-)historische wereld.

Zijn voorlopig laatste boek – er schijnt nog een aantal kleinere publicaties in de nalatenschap te zitten – is nu postuum verschenen, met een gevoelig voorwoord van Simon Schama, maar zonder notenapparaat. Daarmee was Porter nog maar halverwege en de voltooiing bleek zonder zijn hulp een onmogelijk karwei. Daar kun je je wel wat bij voorstellen. In de tekst wemelt het van verwijzingen en citaten en Porters boekenkast was dan ook van een onmetelijke omvang. De bibliografie bij deze zwanenzang telt tachtig pagina's met dubbele kolommen.

Flesh in the age of reason is een overladen boek waarin Porter een speurtocht onderneemt naar de bronnen van het moderne zelfgevoel. Wat daar precies onder moet worden verstaan, blijft enigszins in het midden, maar cruciaal is een element van reflectie, een preoccupatie met onze eigen persoon. Die is niet van alle tijden, en dat is dan ook de reden dat de wereld die opdoemt uit vroegmoderne teksten ons vaak zo volslagen vreemd voorkomt. Maar op een gegeven moment zijn mensen hun eigen zieleroerselen en gedachten de moeite waard gaan vinden, om te onderzoeken en vervolgens ook om de wereld daar kond van te doen.

Introspectieve blik

Wanneer werden we in onze eigen ogen interessant en ontstond die introspectieve blik? De zoektocht naar dit punt voert Porter naar het tijdperk van de Britse Verlichting, waarin hij de transformatie laat plaatsvinden in het denken over onszelf en onze plaats in de wereld en waarin we de geboorte zien van het individu met een eigen, kenbare identiteit.

Dat betekende een fundamentele breuk met het mensbeeld uit het voorafgaande tijdperk, dat gedomineerd werd door christelijke doctrines over een onsterfelijke ziel gevangen in een nietig en vergankelijk lichaam. In deze visie was de mens een arme zondaar die slechts kon hopen op verlossing en wiens uiteindelijke bestemming lag in het leven na de dood. Porter neemt in de eerste hoofdstukken uitgebreid de gelegenheid te baat om de klassieke en theologische wortels van dit mensbeeld bloot te leggen en laat vervolgens zien hoe de oude dogma's vanaf het einde van de zeventiende eeuw steeds meer ter discussie werden gesteld door sceptische geleerden, filosofen en schrijvers.

Er is een aantal omstandigheden aan te wijzen dat die omslag heeft bevorderd. De afkalving van de protestantse orthodoxie en de religieuze versplintering in het laatste kwart van de zeventiende eeuw sloegen de eerste bressen, waarna het traditionele bouwwerk verder werd geslecht door sociale processen van urbanisatie, de uitbreiding van het onderwijs en de verspreiding van leesvoer (vooral kranten en tijdschriften) in steeds bredere kring. Er ontstond in de achttiende eeuw een elite die zich kon ontworstelen aan de dagelijkse strijd om het bestaan, die meer geïnteresseerd raakte in aardse genoegens, in materieel bezit en in kwesties van mode en smaak. Het idee van de onsterfelijke ziel, noties van zonde en verlossing, de belofte van een leven na de dood verloren in deze context hun relevantie. Het aardse bestaan was voor deze burgers niet langer een aanloopje naar het hiernamaals, maar een doel op zich. Zij werden in hun nieuwe bestaan geconfronteerd met nieuwe vragen. Wie ben ik? Wat moet er van mij worden? Hoe word ik gelukkig?

In een reeks hoofdstukken toont Porter de uitwerking van dit soort vragen in de achttiende-eeuwse literatuur, filosofie en wetenschap, beginnend bij de filosoof John Locke die met zijn notie van de geest als een onbeschreven blad, dat pas in de loop van het leven door opvoeding en ervaring werd ingekleurd, een stimulans heeft gegeven aan de psychologisering van ons zelfbeeld. Zijn verlichte opvolgers voerden vervolgens het moderne individu ten tonele, regisseur van eigen leven en auteur van eigen lotsbestemming.

Het oude dualisme van lichaam en ziel liet men voortaan aan het ongeletterde volk, zelf wijdde de achttiende-eeuwse elite zich liever aan de zaken van de geest, aan haar eigen binnenwereld die verkend en beschreven kon worden. Dat gebeurde dan ook uitgebreid, met behulp van nieuwe theorieën over het zelf en in nieuwe uitingen van zelfexpressie, zoals autobiografieën en bekentenisliteratuur. De meerdelige Confessions van Jean-Jacques Rousseau is het bekendste voorbeeld in dit genre, dat ook in Engeland navolging vond. Grote groepen lezers maakten bovendien kennis met gefictionaliseerde vormen van persoonlijke ontwikkeling en innerlijk leven in de opkomende romanliteratuur.

De achttiende eeuw vormt op die manier, aldus Porter, het schouwtoneel van `the march of the mind'. Als het primaat van de geest al niet rechtstreeks werd verkondigd, bleek dit op tal van indirecte manieren: in de cultivering door de sociale bovenlagen van delicate en fijne gevoelens, in de in vele romans verwoorde gedachte dat uiterlijke kenmerken de uitdrukking vormen van persoonlijkheid en karakter, in de opkomst van de antropologie die de fysieke diversiteit van het menselijk ras trachtte terug te brengen tot verschillen in geestelijke ontwikkeling en niet in de laatste plaats in de vele pogingen het lichaam de baas te blijven. Porter ontwaart in de achttiende eeuw de eerste contouren van de hedendaagse lichaamscultuur. Medische adviezen werden via populaire tijdschriften verspreid, diëten en gezondheidsvoorschriften vonden gretig aftrek terwijl ook het nut van lichamelijke oefening voor het eerst werd gepredikt. Het opkomende streven het lichaam te onderwerpen, vergrootte bijgevolg de plaats die het in onze beleving innam.

Ook op andere manieren won het lichaam aan gewicht en werd de invloed van de geneeskunde belangrijker. Zo viel de dood in toenemende mate onder medisch in plaats van religieus beheer. In aansluiting bij de heersende trend begonnen artsen bovendien aandacht te besteden aan de ziekten van de geest, waartoe waanzin en gekte, maar ook verschijnselen als alcoholisme, verslaving en overmatige masturbatie gerekend gingen worden. Er ontstonden specifieke kuren en therapieën om dergelijke kwalen te behandelen.

Souplesse

Maar behalve de nieuwe ziekten van de geest eisten ook de oude lichamelijke ongemakken nog altijd hun tol. Het is de belangrijkste tegenstrijdigheid die Porter in de eeuw van de Verlichting signaleert en die ook in de titel tot uitdrukking komt: hoezeer de achttiende-eeuwse voorhoede zich ook associeerde met haar eigen strevende geest, zij bleef tegelijkertijd gekluisterd aan een lichaam dat de regie soms aardig dreigde over te nemen. Porter voert nogal wat auteurs op die in hun werk de triomf van de geest over het lichaam hartstochtelijk verkondigden, maar wier leven in werkelijkheid werd beheerst door verzwegen ziekte, pijn en ongemak. Het bleef op dit punt dus schipperen in the Age of Reason.

Porter laat in zijn boordevolle ideeëngeschiedenis een lange parade van auteurs langstrekken. Het werk van schrijvers als Jonathan Swift en Laurence Sterne, geleerden als Erasmus Darwin en David Hartley, en filosofen als Descartes en Hume wordt met grote kennis van zaken en stilistische souplesse behandeld, zoals we van Porter gewend zijn. Maar het blijft bij navertellen. Porter blijft dicht bij de teksten die hij behandelt en op een gegeven moment weet je het wel en krijgt het boek iets zwoegends. Halverwege begin je te hopen dat de auteur een opwaartse beweging maakt, zijn materiaal van grotere afstand beschouwt en zich gaat bezighouden met de vraag wat we met deze uitentreuren gedocumenteerde omslag nu eigenlijk te pakken hebben. Maar dat moment blijft uit, waardoor je in deze studie uiteindelijk beter terecht kunt voor een hoofdstuk over Samuel Johnson of William Blake dan voor de vraag wat al die veranderingen in het denken ons nu eigenlijk hebben gebracht.

Roy Porter: Flesh in the age of reason. Penguin, 574 blz. €35,–

    • Annet Mooij