`Waarom spelen we niet veel vaker vals?'

De Amerikaanse econoom Steven Levitt, op zijn 36e al hoogleraar aan de Universiteit van Chicago, maakt furore met zijn onbevangen empirisch onderzoek. Van de economie van een drugsbende tot de onderlinge afspraken van sumoworstelaars, voor Levitt is altijd de kernvraag: hoe komen mensen aan hun trekken? `Rationaliteit is een te hoge eis.'

Leden van een drugsbende in Chicago verdienen gemiddeld net iets meer dan ze achter de kassa bij McDonald's zouden verdienen. Dat mag verwonderlijk heten, gezien de risico's die ze lopen, bijvoorbeeld tijdens een gang war, om te worden gearresteerd of vermoord. Bendeleiders verdienen tien tot twintig keer meer dan hun laagste onderdanen, maar er is meer opwaartse sociale mobiliteit dan in een normaal bedrijf. Het is dan ook het vooruitzicht om tot die kleine toplaag te behoren, dat de bendeleden economisch motiveert.

Voor Steven Levitt (36), door veel van zijn collega's omschreven als Amerika's briljantste econoom, is bovenstaande studie nog een van zijn minst onorthodoxe. In zijn nu al lange, uiterst diverse bibliografie vind je wetenschappelijke publicaties over samenzwerende professionele sumo-worstelaars (die spreken af wie er wint opdat iedereen meer prijzengeld ontvangt), subtiele oplichterij door makelaars (die huizen waarvoor ze alleen bemiddelen voor de verkoper 2 procent goedkoper aanbieden dan de huizen die ze in eigen beheer hebben), de vraag of Amerikaanse Congreszetels `te koop' zijn (antwoord: nee, er is geen direct verband tussen campagnegeld en stembuswinst), wat het effect is van hogere gevangenisstraffen (antwoord: lagere criminaliteit) en de vraag of discriminatie een rol speelt in de televisiequiz `The Weakest Link' (nee, althans niet tegen zwarte en vrouwelijke deelnemers. Wel tegen latino's. Vraag Levitt niet waarom).

,,Ik ben een opportunist'', zegt de iele en studentikoze econoom, die werkzaam is aan de legendarische economiefaculteit van de Universiteit van Chicago, die onder andere Nobelprijswinnaars als Milton Friedman en Gary Becker heeft voortgebracht. ,,Ik bestudeer alles wat mij de moeite van het bestuderen waard lijkt.'' Meestal zijn dat ook de dingen die zijn collega's links laten liggen, dus dat komt goed uit.

Levitts definitie van economie luidt: `How do people get what they need?' Over rentestanden, wisselkoersen en inflatie zal je de jonge econoom – opgeleid aan Harvard en MIT, en binnen twee jaar benoemd tot hoogleraar in Chicago – niet snel horen. Dat is hem te abstract. Hij koketteert bijna met zijn zelfverklaarde gebrek aan deskundigheid op dit terrein. ,,Ik heb altijd het gevoel dat je in de macro-economie alle kanten op kunt redeneren. Dan is het einde zoek.''

Nee, geef hem maar een verzameling mensen die op al dan niet vernuftige wijze hun behoeften proberen te bevredigen. En als ze dat ook nog op een manier doen die kwantificeerbaar is, dan zijn we dichtbij Levitts populaire, relatief nieuwe vakgebied, de behavioral economics. ,,De hypothese van de rationele agent, zoals die bestaat in de klassieke economie, is niet houdbaar'', zegt Levitt. ,,Rationaliteit is een te hoge eis. Veel mensen doen dingen die niet rationeel zijn, maar waarmee ze toch aan hun trekken komen.'' Denk aan sigaretten roken en andere vormen van verslaving – onderwerpen waarover Levitts grote voorbeeld Gary Becker, die in 1992 de Nobelprijs voor economie won, al zijn licht had laten schijnen. Beckers analyse van de economie van de familie, waarin hij de prijs van een kind trachtte te bepalen, leidde destijds tot grote verontwaardiging, maar wordt nu als grensverleggend gezien.

Levitt verruilt rationaliteit voor gedrag dat wordt voortgestuwd door financiële incentives, prikkels, en dat gericht is op nutsoptimalisatie - niet nuts-maximalisatie, want mensen bereiken dat maximum meestal niet, al was het alleen maar omdat ze over onvolledige informatie beschikken, vaak fouten maken en inconsequent zijn. ,,Ook al zijn ze irrationeel, ze proberen er het beste van te maken. Het gaat me om de manier waarop ze dat doen.''

Een van de al te menselijke gedragingen die Levitts warme belangstelling heeft is oplichterij, bedrog, handjeklap. ,,Ik ben altijd aangetrokken geweest door de dark side'', zegt hij – al is dat niet direct aan hem af te zien. De gedachte is dat als mensen vals spelen, ze sociale normen verontachtzamen, en vrij baan geven aan hun impulsen.

Voor niet-Japanners is het hoogstens curieus om te weten dat sumoworstelaars vrijwel zeker met elkaar afspreken wie er wint, zodat iedereen de optimale hoeveelheid prijzengeld opstrijkt – dit is mogelijk door een merkwaardig promotiestelsel dat fraude in de hand werkt. Maar Levitts grootscheepse studie naar corruptie onder honderden leraren in het openbare onderwijs in Chicago heeft vèrstrekkende gevolgen gehad. Nadat de knoeiende leraren met de feiten waren geconfronteerd en hadden bekend, werden ze op staande voet ontslagen.

Levitts werkwijze is verfrissend empirisch. Van de heersende mode trekt hij zich weinig aan. Het enige wat hij doet is goed kijken naar data. In het geval van de sjoemelende leraren viel het de econoom op dat de uitslagen in verschillende examens over verschillende klassen in opeenvolgende jaren ongewoon hoog uitvielen en bij nader inzien niet strookten met simpele wetten der kansberekening. Anders gezegd: met behulp van een computerprogramma spoorde hij een subtiel patroon op in de enorme cijferbrij van duizenden examenresultaten, dat volgens zijn hypothese kon worden teruggevoerd op bepaalde incentives voor hogere uitslagen.

Dankzij een zogenaamd prestatiebevorderend programma in de gemeente Chicago uit 1997, kregen leraren wier leerlingen hogere cijfers haalden, een bonus mee naar huis. Dit leidde tot harderwerkende leraren en beter onderwijs, maar ook tot fraude. De frauderende leraren overspeelden hun hand: niet alleen vulden ze te vaak de goede antwoorden in voor hun leerlingen, het waren ook vaak dezelfde goede antwoorden. Wijzend op een tabel met tientallen multiple choice uitslagen zegt Levitt: ,,Kijk, hier zie je twintig leerlingen die negen identieke antwoorden geven. Zo'n reeks is statistisch bijzonder onwaarschijnlijk.'' De beste methode echter om de goede leraren te onderscheiden van de sjoemelende, was om te kijken welke antwoorden ze weggaven en welke niet. Als ze de moeilijke vragen weggaven en de makkelijke fouten lieten zitten, kon je er gerust van uitgaan met een fraudeur te maken te hebben. Levitt vond uit dat sinds het nieuwe beloningssysteem minstens 3,5 à 5,5 procent van de leraren de examenuitslagen van hun klassen vervalsten, tegenover 2 procent voorheen.

,,Als je je nu afvraagt: 'waarom zit ik naar deze vent te luisteren, dit had ik allemaal zelf wel kunnen bedenken', dan heb je gelijk. Je had het zelf kunnen bedenken. Zo moeilijk is het niet.'' Maar Levitt was de eerste die het heeft bedacht, en, belangrijker, die het heeft gemeten en bewezen. ,,Ons idee was: je kunt wel een vermoeden hebben dat er wordt gesjoemeld met de cijfers, maar dan ben je er nog niet. Wij wilden de sjoemelaars eruit halen.''

Levitts blik reikt verder dan gesjoemel in Chicago. Hij is ervan overtuigd dat hij met dezelfde common sense-aanpak die hij toepast op het onderwijs, complexere gevallen van oplichterij te lijf kan gaan, die bovendien de betreffende instanties een boel geld kunnen schelen. Denk aan belastingontduiking, geld witwassen, uitkerings- en verzekeringsfraude. Hij zegt nog geen plannen te hebben om het gegoochel met aandelen en opties door zogeheten insiders (zoals topmanagers) onder de loep te nemen, waarover sinds de bedrijfs- en beursschandalen van vorig jaar veel te doen is geweest. Zou het niet mogelijk zijn om met de juiste data – die immers voor een groot deel openbaar zijn, dankzij de financiele autoriteiten – gevallen van handel met voorkennis aan te wijzen, of dubieuze vormen van compensatie aan topmanagers? Levitt knikt beleefd, maar hij heeft er nog niet naar gekeken. ,,Vergeet niet: het raadsel is niet dat er vals gespeeld wordt – iedereen speelt nu en dan vals. Ik doe het, mijn eigen moeder doet het, iedereen maakt vroeg of laat op een min of meer onschuldige manier misbruik van een situatie. Het raadsel is juist dat het relatief zo weinig gebeurt. Elke dag worden we op straat, op het werk, geconfronteerd met mogelijkheden waarin we valselijk ons voordeel kunnen halen. Maar kennelijk is de behoefte om ons te conformeren groter dan onze neiging tot zelfverrijking.''

De studie waarmee Levitt de meeste stof heeft doen opwaaien in zijn nog prille carrière, heeft niets met economie te maken. Dat was `The Impact of Legalized Abortion on Crime', een paper die hij samen met John Donohue publiceerde in het Quarterly Journal of Economics tijdens zijn sabbatical aan Stanford University. Daarin onderzoeken zij de correlatie tussen enerzijds Roe v. Wade, het historische arrest in het Hooggerechtshof uit 1973 dat abortus legaliseerde, en anderzijds de drastische daling in de criminaliteit die begon in de jaren negentig, toen de kinderen uit de jaren zeventig volwassen werden. Het idee, zoals altijd bij Levitt, is verrassend eenvoudig: ongewenste en verwaarloosde kinderen hebben een hogere kans om in criminele sferen te raken; legale abortus leidt tot minder ongewenste kinderen; ergo, door abortus is de criminaliteit afgenomen.

Voor Nederlanders is abortus zo volstrekt ingeburgerd en onomstreden, en gewapende misdaad (nog steeds) zo iets exotisch, dat zij van zo'n redenering amper opkijken. Maar in de Verenigde Staten is een dergelijke gedachtengang nog altijd politiek incorrect op het explosieve af. Een volstrekt ongeoorloofd pleidooi voor abortus, oordelen conservatieve critici. Prenatale doodstraf, gecombineerd met racisme, oordelen critici ter linkerzijde van het publieke debat, die wijzen op de oververtegenwoordiging van zwarten in de misdaadstatistieken. Gevaarlijke pseudowetenschap, oordelen tenslotte enkele van Levitts vakgenoten uit de sociale wetenschappen. Het dodelijkste commentaar kwam wellicht van Daniel Hamermesh, een prominente arbeidseconoom van de Universiteit van Texas, die tegen de New York Times zei: ,,Ik heb Levitts artikel uitvoerig bestudeerd. Er is niks mis mee. Toch geloof ik er geen bal van.''

De tegenargumenten rolden over elkaar heen toen de media lucht kregen van Levitts en Donohues artikel, twee jaar geleden. Een van de tegenargumenten luidde dat in Groot-Brittannië de criminaliteit juist is gestegen, twintig jaar na de legalisering van abortus in dat land. Bovendien, wie de FBI-statistieken erbij haalt ziet juist ook in Amerika een piek rond 1993, toen 0,3 promille van de 14- tot 17-jarigen (het eerste cohort dat in staat was tot criminaliteit na 1973) verantwoordelijk was voor moorden in de VS. (Overigens nam dat cijfer meteen daarna dramatisch af en ligt nu rond de 0,1 promille). Was het niet veeleer te danken aan de stijging van de algehele welvaart, en het einde van de crack-epidemie, die leidde tot de scherpe daling in criminaliteit in Amerika's binnensteden?

Levitt haalt zijn schouders op over alle ophef. ,,Het is in dit land moeilijk om langer dan tien seconden over abortus te praten'', zegt hij. Hij blijft bij zijn originele theorie, alhoewel hij toegeeft, dat abortus niet het enige is dat heeft geleid tot de daling van de misdaad. Dat was hem al gebleken uit zijn studies naar het effect van politie-optreden en vrijheidsstraffen. ,,Het is waarschijnlijk een combinatie van meer blauw op straat, meer gevangenen, het einde van de crack epidemie, én Roe v. Wade.''

Als de controverse over zijn abortusartikel is weggeëbd heeft Levitt alweer een nieuw onderwerp in petto dat tot discussie zal leiden, in elk geval aan de borreltafel. De vraag die Levitt nu bezighoudt is: Heeft een typisch Afrikaans-Amerikaanse naam nadelige gevolgen voor de kansen op de arbeidsmarkt van die persoon? ,,Sommige Afrikaans-Amerikaanse namen zijn echt opmerkelijk'', zegt Levitt. ,,Monsanto bijvoorbeeld is een naam die je bij witte kinderen niet zo snel zult tegenkomen. Het is ook de naam van een gigantische beursgenoteerde onderneming in de bio-technologie. En wat te denken van Lemonjello en Oranjello, namen van een tweeling die ik vond? (`Jello' is de naam van een bekend Amerikaans toetje, red.) Die trend is ontstaan in de jaren zeventig. Dertig procent van de namen die zwarten hun kinderen geven komen nergens anders voor, en zijn dus typische social markers.''

Het aardige nu is dat Levitt ontdekte dat dit soort namen geen aantoonbaar effect heeft op de carrièrekansen van de degene die die naam draagt. ,,Dat wil niet zeggen dat er geen racisme is. Nu kunnen werkgevers al aan de naam zien dat iemand zwart is. Als die werkgevers selecteren op huidskleur, bespaart dit de sollicitant een trip naar het kantoor voor een gesprek.''

Levitt zegt zelf dat hij ,,cultuur probeert te kwantificeren''. Veelal begint zijn intellectuele zoektocht met een observatie in zijn eigen omgeving die hem intrigeert. Het idee voor de studie naar de financiën van de drugsbende kwam bijvoorbeeld bij hem op toen hij hoorde dat veel bendeleden, en zelfs bendeleiders, nog bij hun moeder woonden. Hoe was dat mogelijk? Hij was er van uitgegaan dat de drugssector door zijn illegaliteit en woekerprijzen zeer winstgevend was voor alle betrokkenen. De enige manier om hierover duidelijkheid te krijgen was om de boekhouding van een drugsbende door te lichten. Sudhir Venkatesh, een collega van Columbia University, had de hand weten te leggen op zo'n boekhouding, alsmede een grote hoeveelheid interviews met betrokkenen.

Maar cultuur is soms weerbarstig. Hoe hij ook naar de – soms onbetrouwbare – cijfers keken, het viel niet te verklaren hoe het mogelijk is dat leden van deze bende bereid waren hun leven op het spel te zetten voor zo'n geringe financiële compensatie. ,,Gedrag wordt door een hoop andere factoren bepaald dan alleen economische'', peinst Levitt tenslotte hardop. ,,Wat mensen doen, is zelden voor honderd procent te begrijpen.''

    • Viktor Frölke