Tram op hol

Heel even ben ik trambestuurder geweest. Ik speelde namelijk met mijn vriend Freek op het plein voor de remise en werd ineens verliefd op al die trams die zo vrolijk bellend uit de loodsen kwamen rijden.

Trams die je naar het andere eind van de stad konden brengen – als je maar een kaartje had. En dat hadden Freek en ik niet. Dus besloten we als verstekeling aan boord te gaan.

We slopen de remise binnen en gingen op zoek naar een tram die klaarstond om te vertrekken. Ze waren er allemaal: lijn 25, lijn 4, lijn 9, lijn 24, lijn 16. In de donkere loods leken ze op een grote blauwe en grijze rupsenfamilie.

Alleen van lijn 9 waren de deuren open en stond de stroombeugel tegen de bovenleiding. Dat betekende dat hij zo dadelijk zou wegrijden. We hoefden alleen nog maar op de bestuurder te wachten. En dan kon de pret beginnen, want lijn 9 ging naar de dierentuin en we waren gek op apen en leeuwen.

We slopen de tram in, zodat de bewakers ons niet konden zien. Eerst wilden we ons achterin verstoppen, maar toen we die knoppen en hendels bij de bestuurdersplaats zagen konden we er niet van afblijven. Ik klom op de trambestuurdersstoel en Freek kwam naast me staan. Hij drukte op alle knoppen die hij zag. Het licht in de tram floepte nu aan en de deuren sloegen dicht. Ik sloot mijn ogen en reed in gedachten de remise uit, de straat uit, de buurt uit, de stad uit, Nederland uit, helemaal tot waar de rails ophielden. Toen haalde ik een grote hendel over en draaide Freek aan een wiel op het bedieningspaneel. En wat denk je wat er gebeurde? De tram kwam echt in beweging! Als een rups kroop hij de remise uit. Freek riep `hoera!' en draaide nog eens aan het wiel, waardoor de tram echt vaart begon te maken.

Zo reden we een paar honderd meter rechtdoor, tot we bijna in een drukke winkelstraat kwamen. Maar onze vrolijkheid duurde niet lang. Want hoe moesten we links- of rechtsaf, hoe moesten we stoppen voor een stoplicht of een vrachtwagen? We wisten het niet en raakten in paniek. Wanhopig drukte Freek op alle knoppen. Het licht ging uit, er rinkelde een bel, de deuren floepten open. Maar de tram bleef doorrijden. Freek ging op de treeplank staan en riep om hulp. Maar er was niemand te bekennen. Toen hoorde ik een zware stem in mijn hoofd die zei: `Draai aan dat wiel.' Ik draaide aan het wiel op het bedieningspaneel en de tram kwam tot stilstand, op nog geen vijf meter voor de winkelstraat.

,,Snel, wegwezen'', riep Freek nu. We sprongen de tram uit en renden naar huis. Sinds die dag weet ik dat trambestuurder een heel mooi beroep is. Maar niet voor mij.

    • Michel Krielaars