Thuis in de begeertemobiel

BRUSSEL/ANTWERPEN/NEW YORK. De Thalys uit Keulen arriveert tijdig in Brussel Midi, maar Hein is er niet. Telefonisch had Heins baas mij verzocht in de hal van Brussel Midi op Hein te wachten. Dat doe ik. In mijn omgeving houden zich nog vier andere wachtenden op, in minstens de helft van hen herken ik de professionele zakkenroller. Ook een mooi beroep.

Het is zaterdagavond, ik ben tweeëndertig jaar en zie er steeds minder heil in mij voort te planten.

Na een half uur arriveert Hein, files en geen stratenboekje, het oude verhaal. Hij blijkt een magere maar vriendelijke jongeman met mooie ogen. Begin twintig, vol hoop en idealisme. Zijn auto staat op een kwartier loopafstand van het station geparkeerd, hij laat mij met een te zware koffer slepen. Zo zijn idealisten.

De auto is niet van Hein zelf, maar van zijn werkgever, Behoud de Begeerte. De auto heet de begeertemobiel.

Een week lang zal ik met twee tapdansers en een buikdanseres door middelgrote Vlaamse theaters trekken. Hein doet de techniek, zijn vriendin woont in Haarlem. In de begeertemobiel doe ik wat van mij wordt verwacht, ik laat me van mijn sociale kant zien. Vragen beantwoord ik met wedervragen. Over mijzelf zwijg ik als over een oom die fout was in de oorlog.

Voor het Hilton Hotel in Antwerpen laadt Hein mij en mijn koffer uit. In het hotel vindt die avond de Mister Antwerpen-verkiezing plaats. Vijf minuten later sta ik in mijn business-suite met uitzicht op de Groenplaats en zonder dat daar werkelijke reden voor is denk ik aan luchtalarm.

Omdat ik niet kan slapen pik ik het staartje van de Mister Antwerpen-verkiezingen mee. Dertig mannen in vrijwel identieke pakken staan op een podium met een bloemetje in hun hand, vijf mogen een stapje naar voren doen. Er wordt hard geapplaudisseerd.

Lichamelijk gezien ben ik een man, maar wat er van een man allemaal wordt verwacht, daar heb ik geen trek in.

Op zondagmiddag word ik in de begeertemobiel naar het Paleis van Schone Kunsten in Brussel getransporteerd, waar ik kennismaak met de overige technici. Ik begin me steeds meer thuis te voelen in de begeertemobiel.

Maandag is de première, een kwartier voor aanvang overhandigt de baas van Behoud de Begeerte me een paar duizend euro in een witte enveloppe. Mijn voorkeur gaat niet uit naar contante betaling, maar als het moet neem ik er genoegen mee.

Ik prop het geld in mijn binnenzak, het veroorzaakt een bobbel in mijn pak.

De buikdanseres is te laat. Ze heeft een kind van acht en ze zal de rest van de week te laat blijven komen, behalve in Gent, maar dat houdt de spanning erin. ,,Wat wordt hier eigenlijk gepromoot?'' vraagt ze, nadat we hebben kennisgemaakt.

Normaliter danst ze in een restaurant. Dan gaat ze van tafel tot tafel.

Vera M. is er ook. Ze komt uit Puurs, nabij Mechelen, ze heeft alles van mij gelezen, is dus een deskundige en in die hoedanigheid heeft ze meegewerkt aan het programma. Ze heeft een man, een kind en een kapper die ze heeft aangeraden iets van mij te lezen, maar de kapper wil er niet aan.

De verdronkenen en de geredden, zo luidt de titel van een boek van Primo Levi.

Net niet verdronken, maar aangespoeld, wrakhout, mijn wereld wordt bevolkt door strompelaars, al zitten er sympathieke tussen.

De mannelijke tapdanser heeft als bijnaam Harry Tap. Hij woont in een appartement en om de buren geen overlast te bezorgen oefent hij zijn tapdans zittend op een kussen.

Langzaam gebeurt het onvermijdelijke, we worden één grote familie. Vooraf eten we een Vlaams stoofpotje in de kantine van een cultureel centrum dat onvermijdelijk herinneringen oproept aan een crematorium. We leggen een kaartje, want je kunt niet eindeloos blijven ijsberen, alleen omdat je over drie kwartier op moet.

Zelfs voor Hein ontwikkel ik een zekere genegenheid die in Genk omslaat in erotische spanning. Niets waar zijn vriendin in Haarlem zich zorgen om hoeft te maken.

Na afloop van de voorstelling in Berchem ontmoet ik Micheline van H., wier haren ik in 2001 in New York heb gewassen. Haar linkerwang is opgeblazen, ze doet haar best het te verbergen, maar daardoor valt het alleen meer op. In het dagelijks leven zingt ze liederen van Jacques Brel. Het is erg jonge mensen te zien aftakelen, zeker als je nog niet zo lang geleden hun haren hebt gewassen.

In Hasselt, de laatste voorstelling, duikt een jongeman op die zich een tijd geleden bij mij heeft aangemeld als huisknecht. Hij is van boven gekleed in een militair uniform, waardoor hij op sommigen de indruk wekt lid te zijn van de Special Forces. In een kwartier drinkt hij drie glazen wijn en stapt dan zwijgend in de begeertemobiel. Er gaan geen treinen meer naar zijn woonplaats en hij heeft geen idee waar hij moet overnachten.

,,Ik wacht wel op het station op de eerste trein'', zegt hij, terwijl hij zijn haren fatsoeneert.

Zoiets laat ik natuurlijk niet toe, en ik lever hem af in een jeugdherberg. Het wrakhout dat aanspoelt vraagt regelmatig om mond-op-mond-beademing.

Hij werkt in een bejaardentehuis, een van de bejaarden heeft haar stoma naar hem genoemd.

Als een stoma jouw naam draagt waarom zou je dan nog kinderen maken?

Met deze gedachte vlieg ik terug naar New York, waar ik heb beloofd een sales conference bij te wonen.

Boeken worden niet alleen geschreven, maar ook verkocht, althans, in het gunstigste geval.

Uitgevers hebben vertegenwoordigers in dienst die die boeken aan de boekhandels verkopen, maar steeds vaker maken ze gebruiken van de telefonische verkoop om ook de afgelegen boekhandel te bereiken, zeg maar ergens in een dorpje in Idaho.

Die telefonische verkoop wordt vrijwel uitsluitend gedaan door vrouwen op leeftijd, mijn indruk is vooral dikke vrouwen, misschien hebben die een betere telefoonstem.

De sales conference begint stipt om tien uur. Eerst houdt de CEO (het hoofd dus, de directeur, de leider, de Führer, hoe je het ook noemen wilt) een korte toespraak. Daarna stelt iedereen zich voor, alsof je in een klas zit.

De assistent van de CEO houdt een toespraak waarin hij melding maakt dat het afgelopen jaar de omzet van algemene boeken met veertig procent is gestegen, maar dat de ambities voor het komende jaar niet minder agressief zijn.

Uitstekend, mijn ambities zijn ook behoorlijk agressief, men zou eens moeten weten.

Na deze inleiding wordt het programma voor het voorjaar van 2004 doorgenomen. Ik word in de gelegenheid gesteld mijn eigen boek voor te stellen, wat ik doe met de inzet van iemand die weet wat verkoop is: je voet tussen de deur zetten en dan niet meer terugtrekken. Liefde komt op hetzelfde neer. Er zijn momenten dat ik me afvraag: hoe lang nog? Maar al snel weet ik het antwoord weer: tot ik dood ben.

Ook overleven is je voet tussen de deur zetten en niet meer terugtrekken en als ik iets ben, is het een overlevingsmachine. Op mijn helm mogen ze zetten: born to survive.

Na de sales conference wandel ik terug naar huis om Rose, de werkster, binnen te laten. Ik heb er nog altijd drie, maar ik ga dat langzaam afbouwen.

Rose staat al voor de deur. Haar zeventienjarige dochter gaat binnenkort bevallen.

Als we in mijn woonkamer staan, zegt ze: ,,Ik moet je wat vertellen, ik ben ook zwanger.''

Ze gaat zitten.

,,Rose'', zeg ik, meer weet ik ook niet te zeggen.

,,De vader zegt dat het niet zijn kind is, ik ben te oud voor dat soort spelletjes Ik wacht rustig af tot het geboren is, dan doe ik een DNA-test en dan sleep ik hem voor het gerecht.''

,,Rose'', zeg ik alweer.

Maar ik kan het niet helpen, ik denk, een DNA-test, die hangt me ook nog boven het hoofd.

    • Arnon Grunberg