Teloorgang van een loper

Kanoeten leven op de randjes van de wereld. Ze broeden binnen de poolcirkel en overwinteren duizenden kilometers zuidelijker in afgelegen kustgebieden. Waar kanoeten zijn is het landschap vlak en verlaten, zij horen bij fantastische vergezichten. Zo begint Koos van Zomeren een van zijn verhalen over dit strandlopertje, dat via de Waddenzee pendelt tussen het noorden van Siberië en het westen van Afrika.

De artikelen zijn eerder verschenen in NRC Handelsblad en Nieuwe Revu. Bij de uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (KNNV) zijn ze nu gebundeld. De rode draad is het onderzoek van Theunis Piersma, die al zijn hele loopbaan bezig is om het leven van de kanoet te doorgronden. Koos van Zomeren zocht de waddenbioloog voor het eerst op in februari 1980 onder de tropenzon van Mauretanië. Daar hadden vier studenten het wilde plan opgevat om de vogelrijkdom van de Banc d'Arguin te inventariseren. Het was pionierswerk in een modderige uithoek van de wereld. `Persoonlijk lag ik door klapperkoortsen, maagkrampen en duizelingen geveld in foetushouding op het strand', schrijft de verslaggever. `Ik kon nauwelijks mijn ogen open krijgen als er weer een vlucht steltlopers over me heen zoefde. Maar door alle anderen werd in een West-Europees tempo gewerkt.' Na een maand tellen komt de expeditie tot de fantastische schatting van 2,2 miljoen steltlopers.

Onze eigen Waddenzee is – of liever gezegd, wàs – al net zo'n vogelparadijs. Koos van Zomeren heeft de teloorgang van dit beschermde natuurgebied in detail vastgelegd. Het is schrijnend om zijn verhalen terug te lezen, je ziet hoe het drama zich ontrolt. Begin jaren tachtig kon de Waddenzee nog bogen op een half miljoen kanoeten. De Siberische ondersoort arriveert eind juli na het broedseizoen, in de loop van augustus komen daar de Canadezen bij. Ze ruien hun veren en eten zich vet. Half oktober zijn de Siberiërs weer vertrokken richting Mauretanië; de Canadezen overwinteren bij ons. Bij aankomst in Mauretanië zijn de trekvogels een kwart tot een derde van hun lichaamsgewicht kwijt en soms zo uitgeput dat je ze met de hand kunt vangen.

`Het gaat allemaal maar net, het is elk jaar weer een dubbeltje op zijn kant', schrijft Van Zomeren in 1980. In 1992 bericht hij vanaf het waddeneilandje Griend voor het eerst verbaasd dat er dat jaar vrijwel geen kanoeten zijn, omdat er op deze traditionele pleisterplaats vrijwel geen voedsel meer te vinden is. Schelpdiervissers hebben de Waddenzee van mossels en kokkels beroofd. Eeuwenoude mosselbanken zijn botweg weggeschraapt. De mechanische schelpdiervisserij woelt de slikkige wadbodem om en maakt hem steeds zanderiger en losser van structuur. Grote velden van de Japanse oester, een exotisch schelpdier waarvoor wadvogels hun snavel ophalen, breiden zich elk jaar uit. Op de stranden liggen de karkassen van duizenden uitgemergelde eidereenden, schrijft Van Zomeren in 1992. `Toch gaat de visserij in september weer gewoon verder'.

Inmiddels is de kanoetenstand in de Waddenzee gehalveerd van 500.000 naar 250.000 exemplaren. Wageningse computersimulatiemodellen voorspellen dat de Canadese ondersoort over tien tot vijftien jaar is uitgestorven en de Siberische ondersoort staat er weinig beter voor. Maar ook deze herfst heeft minister Veerman van landbouw en natuurbeheer de schelpdiervissers gewoon weer laten uitvaren, in afwachting van nader onderzoek.

Koos van Zomeren: Klein kanoetenboekje. KNNV uitgeverij Utrecht, Met zwart wit aquarellen van Erik van Ommen. 96 blz. €11,95

    • Marion de Boo