Revolutie in het bos

Met de restauratie van het hoofdgebouw van sanatorium Zonnestraal valt opnieuw op wat een meesterwerk aan ingenieurskunst het is. Terwijl architect Duiker het bedoelde als een wegwerpgebouw.

`Zij, die zoals ik, de rede gebruiken als meeteenheid voor hun handelen, moeten sinds kort hun denkraam verbreden. Op Zonnestraal is bewezen dat wonderen bestaan en laat Jan Duiker het niet horen.'' Met deze raadselachtige woorden heropende architect Hubert-Jan Henket onlangs het door hem en collega Wessel de Jonge gerestaureerde hoofdgebouw van sanatorium Zonnestraal in de bossen bij Hilversum. Raadselachtige woorden voor buitenstaanders, maar de betrokken aanwezigen begrepen onmiddellijk waar Henket het over had. Hij doelde op de onwaarschijnlijk moeizame, meer dan twintig jaar voortslepende restauratiegeschiedenis van Zonnestraal en op het mirakel dat het eerste deel, het hoofdgebouw, nu toch eindelijk in oude moderne glorie is hersteld. Dat daarmee het bestaan van wonderen is bewezen, mocht Jan Duiker (1890-1935), de architect van dit hoogtepunt van functionalistische architectuur in Nederland, niet horen. Wonderen waren de rationalist vreemd. Maar gelet op Zonnestraal was hij wel in staat er zelf af en toe een te verrichten.

Omdat Duikers ontwerp uit 1928 als uitgangspunt van de restauratie diende, valt pas nu werkelijk te ervaren hoe revolutionair het sanatoriumgebouw in het Loosdrechtse Bos was en nog steeds is. Het heldere hagelwitte gebouw met de grote glaspartijen omlijst door ijle, hemelsblauwe kozijnen manifesteert zich in 2003 nog even glansrijk als een meesterwerk van ingenieurskunst als toen het in 1928 werd opgeleverd. Bijzonder is dat de herwonnen authenticiteit, zowel van de materiële verschijningsvorm als van de ruimtelijke compositie, niet is bereikt via reconstructie, maar door zorgvuldig herstel van het oorspronkelijke beeld.

Dat deze gewetensvolle, tijdrovende en kostbare methode van integraal restaureren op het gehele Zonnestraalcomplex, inclusief het omringende landschap, zal worden toegepast, is te danken aan de veelzijdigheid van dit monument van gebouwde cultuur. Niet alleen is het een onovertroffen uitwerking van het licht-lucht- en ruimte-principe van het Nieuwe Bouwen, het is ook een monument van de sociaal-democratie.

Aan de wieg van Zonnestraal stond de eerste vakbond van Nederland, de aan het eind van de negentiende eeuw opgerichte Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond. Een van de zorgen van de bond was de bestrijding van tuberculose, de volksziekte waarvoor diamantbewerkers door inademing van slijpstof extra vatbaar waren. Om een herstellingsoord voor tbc-patiënten te kunnen bouwen werd door de diamantbewerkersbond het Koperen Stelen Fonds opgericht. De koperen stelen dienden om de diamanten in de slijptangen te klemmen en verkoop van versleten of gebroken steeltjes bleek een lucratieve onderneming. Met dat geld kocht het Stelenfonds in de bossen bij Hilversum het landgoed `de Pampahoeve'.

Op aanraden van de nestor van de moderne Nederlandse architectuur, H. P. Berlage, werden voor het ontwerp van het sanatoriumcomplex twee jonge bouwkundig ingenieurs aangetrokken, Jan Duiker en Bernard Bijvoet. De socialistische bouwmeester Berlage had een bijzondere band met de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond. Rond 1900 ontwierp hij het Bondsgebouw in Amsterdam, een robuust symbool van de culturele emancipatie van de arbeidersbeweging. Het staat nog steeds trots overeind in de huidige Henri Polaklaan, tegenover Artis, en herbergt nu het Nationaal Vakbondsmuseum.

Modern juweel

Jan Duiker en Bernard Bijvoet (1889-1980) studeerden gelijk af aan de Technische Hogeschool in Delft in 1913. Daarna vormden zij samen een architectenbureau, tot Bijvoet in 1925 naar Parijs verhuisde om daar te gaan samenwerken met Pierre Chareau. Een coöperatie die onder meer rond 1930 het moderne juweel Maison de Verre opleverde.

Gedurende de twaalf jaren van hun compagnonschap toonden Duiker en Bijvoet zich een hecht koppel. Collega-architect G. Friedhoff omschreef het duo bij de dood van Duiker in 1935 in het Bouwkundig Weekblad als `gezworen kameraden en nooit heeft iemand kunnen aantonen, waar de lijn van Duiker ophield en die van Bijvoet begon'. In deze jaren waren het vooral prijsvragen die Duiker en Bijvoet aangrepen om hun ontwerpkunst aan te scherpen. Met opvallend succes. In 1919 wonnen zij de competitie voor de nieuwe Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. In zijn Plan-Zuid had Berlage het plein aan de noordelijke kop van de Minervalaan, waar uiteindelijk het Hilton Hotel zou verrijzen, een culturele bestemming toegedacht. Nadat het academieplan weer was verlaten, wijdde Wendingen `maandblad voor bouwen en sieren' in 1921 een geheel nummer aan het ontwerp, dat door de bakstenen detaillering en het horizontalisme opvallende gelijkenis vertoonde met de architectuur van Frank Lloyd Wright. De invloed van Wright was ook duidelijk te zien bij het veelgeprezen ontwerp voor de Chicago Tribune Tower dat Duiker en Bijvoet in 1922 voor een geruchtmakende internationale prijsvraag inzonden.

Twee jaar later ontwierpen zij voor de Diamantbewerkersbond een uitgebreid wasserijgebouw in Diemen dat vooral in de raampartijen een aanzet liet zien van de ijle, op staal en glas gebaseerde architectuur die een paar jaar later Zonnestraal zou beheersen.

Na het vertrek van Bijvoet naar Parijs trok Duiker de banden aan met civiel-ingenieur en gewapend-betonspecialist J.G. Wiebenga (1886-1974). Al eerder hadden zij samen ideeën voor goedkope systeembouw met betonnen elementen uitgewerkt. Het gewapend betonskelet van Zonnestraal, uiterst slank ontworpen met vloeren van slechts 80 millimeter dik, dat zowel in het hoofdgebouw als in de flankerende paviljoens als geraamte dient, is onmiskenbaar van Wiebenga's hand.

Duiker, Bijvoet en Wiebenga, de drie historische architecten van Zonnestraal, krijgen gezelschap van twee hedendaagse vakgenoten, Hubert-Jan Henket en Wessel de Jonge. In nauwe samenwerking met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg zijn zij verantwoordelijk voor het herstel van de oorspronkelijke architectuur – alleen al de restauratie van het hoofdgebouw kostte twintig miljoen in guldens. Ironisch daarbij is te bedenken dat het voor de functionalist Duiker nooit de bedoeling is geweest om Zonnestraal voor de toekomst te bewaren.

Henket in een toelichting: ,,Overeenkomstig de beroemde woorden van de Amerikaanse architect Louis Sullivan `form follows function' was voor Duiker de economische realisatie van de functie het doel van een gebouw, de materialisatie van het gebouw was voor hem het middel om dat doel te bereiken en de vorm was het uiteindelijke resultaat. Zijn beslissingen baseerde hij op wat hij noemde de `geestelijke economie'. Daaronder verstond hij dat alles, zowel materieel als immaterieel, met zo min mogelijk middelen en energie tot stand gebracht moest worden. Bovendien geloofde Duiker, als aanhanger van het Nieuwe Bouwen, stellig in de vooruitgang van de wetenschap. Daarom was het voor hem vanzelfsprekend dat er binnen ongeveer dertig jaar medicijnen zouden worden gevonden die het verdere gebruik van sanatoria overbodig zou maken. Koppel je Duikers idee van de `geestelijke economie' aan het geloof in de vooruitgang van de wetenschap, dan is het te begrijpen waarom hij Zonnestraal ontwierp als een wegwerpgebouw.''

Geknoei

Duiker kreeg gelijk. Nieuwe geneesmiddelen verwezen tuberculose naar de geschiedenis en in 1957 veranderde Zonnestraal in een algemeen ziekenhuis met hartziekten als specialisatie. In de loop der jaren begonnen de gevoelige sanatoriumgebouwen steeds meer te wringen met de eisen van een eigentijds ziekenhuis. Er werd verbouwd, er werd uitgebreid en hopeloos met het kostbare ensemble geknoeid. Tot de gebruikers het in 1996 de rug toekeerden en een gebouwencomplex achterlieten waaruit de oorspronkelijke, architectonische zuiverheid, de ambiance van tijdloze rust en schoonheid volledig was verdwenen.

Al in 1982 hadden Henket en De Jonge opdracht gekregen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg om een onderzoek te doen naar de restauratiemogelijkheden van bouwwerken in de stijl van het Nieuwe Bouwen. Zonnestraal werd in deze categorie als voorbeeld genomen: een interessant maar ook gecompliceerd testgeval voor de restauratie-architecten.

Henket: ,,Een favoriete uitspraak van de overtuigde modernist Duiker was `Hoedt u voor Heemschut'. En dat is precies wat wij met Zonnestraal doen, het bewaren van het verleden. Bovendien wordt men bij herbestemming van een gebouw dat is ontworpen volgens de gedachte `form follows function', geconfronteerd met wat er materieel oorspronkelijk was. Dus bij een nieuwe bestemming draait de logica om en moet de functie de vorm volgen. Ik heb deze twee fenomenen wel eens het Duiker-dilemma genoemd.''

Er is maar één uitweg om aan die tweespalt te ontkomen: accepteren dat de primaire functie van het gebouw niet meer die van een gebruiksobject is, maar van een monument. En dat stelt vervolgens hoge eisen aan de herwinning van de authenticiteit. Wessel de Jonge: ,,Voor het hoofdgebouw, dat niet meer is dan een betonskelet met een transparante huid, zijn grote inspanningen gedaan om de glassoorten te vinden die de oorspronkelijke beleving zoveel mogelijk benaderen. Zonnestraal dateert uit een tijdperk waarin het absoluut vlakke, hedendaagse glas nog niet bestond, maar glas nog werd `getrokken' waardoor er verticale vervormingen in de ruiten voorkwamen. Deze zijn zowel voor het doorzicht als voor de weerspiegeling beeldbepalend. Bovendien werd glas in die tijd nog gebleekt tot het geheel kleurloos was. Zulk glas wordt in West-Europa niet meer geproduceerd, het werd voor Zonnestraal uiteindelijk ingevoerd uit Litouwen.''

Op het Landgoed Zonnestraal wordt niet alleen het oude beeld hersteld, dat zou onvoldoende zijn. Het hoogste doel is de historische beleving terug te brengen en dat is monnikenwerk. Op een manifestatie voor het behoud van Zonnestraal in 1994 in Hilversum waarschuwde architect-kunstenaar en `Duiker'-minnaar van het eerste uur, Aldo van Eyck, dat voor alles de dunheid van de detaillering die Zonnestraal zijn karakteristieke lichtheid geeft, essentieel is. Hij vergeleek Zonnestraal met een schilderij van Mondriaan. ,,Als je een Mondriaan laat restaureren, zeg je toch ook niet `laten we de lijnen maar 1 millimeter breder maken?' Doe je dat wel dan heb je geen Mondriaan meer maar een willekeurig schilderij.''

Met het herstel van het hoofdgebouw van Zonnestraal hebben Hubert-Jan Henket en Wessel de Jonge zich voorbeeldige restaurateurs van moderne kunst betoond.

    • Max van Rooy