Punten scoren in de EU

2004 WORDT een `sleuteljaar' voor de Europese Unie. Zo'n beetje alles wat belangrijk is voor de EU komt dan samen. Voor ons land ligt het convergentiepunt in de zomer. De Unie krijgt er per 1 mei tien nieuwe lidstaten bij. In juni zijn de verkiezingen voor het Europees Parlement. Per 1 juli wordt Nederland voor zes maanden EU-voorzitter. Tegen die tijd zou er bovendien een grondwettelijk verdrag moeten zijn, waarover in Nederland en in een aantal andere lidstaten een referendum wordt gehouden. Eind volgend jaar moet de EU beslissen over de toetreding van Turkije. Tussen de diverse gebeurtenissen is een samenhang met een eigen dynamiek.

Het is dus spitsroeden lopen voor de politieke leiders. Ze moeten zich verantwoorden tegenover een ontevreden en kritisch electoraat. Er is een gemeenschappelijk belang: vrede en welvaart in Europa. Maar daarnaast zijn er nationale belangen te dienen. Het gevecht hierover is in volle gang en vindt vandaag en morgen een voorlopig hoogtepunt op de top van de EU-regeringsleiders en -staatshoofden in Brussel. Hun belangrijkste gespreksonderwerp is het constitutionele verdrag van de Unie. De meningsverschillen hierover zijn groot en gaan in essentie over de toekomstige machtsverdeling in de EU. Het moeilijkste onderhandelingspunt is het stemgewicht der leden. Polen en Spanje willen handhaven wat ze in het Verdrag van Nice kregen, maar daarmee voelen Frankrijk en vooral Duitsland zich tekortgedaan.

Dan zijn er de kwesties met het Stabiliteitspact en het vetorecht bij de besluitvorming over de langetermijnbegroting van de EU. Met name Nederland neemt dit hoog op. Andere landen stellen eisen aan het aantal commissarissen. Iedereen trekt en sjort aan het grondwetsontwerp. Het gevolg ervan kan `ontrafeling' zijn: van het concept blijft niet meer over dan een door wrakkige compromissen gehavende constitutie. De vrees hiervoor is gegrond. Een twijfelachtige uitkomst van `Brussel' legt zonder meer een claim op het slotresultaat van de constitutionele onderhandelingen. Met een ondeugdelijk verdrag schiet de EU niets op. Uitstel – voorlopig geen grondwet – betekent niet dat Europa ophoudt te bestaan. De Unie valt dan terug op oude verdragen. Wat volgt is een periode van wennen: aan de nieuwe samenstelling, aan een mogelijke opsplitsing in een Europese kopgroep en een volggroep. Aldus tijd kopen is te prefereren boven een slecht verdrag.

NEDERLAND HEEFT ZICH in de onderhandelingen over de grondwet tot nu toe onderscheiden door het verdedigen van wat het ziet als zijn nationale belang: een degelijke euro en vetorecht bij de begroting. Deze opstelling ten opzichte van de EU getuigt van realisme, zeker gelet op het feit dat Nederland vorig jaar de grootste nettobetaler aan de Unie was. Maar de toon waarop de recente eisen over het Stabiliteitspact en de langetermijnbegroting zijn geformuleerd, begint schril en verongelijkt te worden. Nederland dreigt bovendien alleen te komen staan en moet oppassen dat het zich met zijn opstelling tegenover Duitsland niet vervreemdt van deze machtige buur. Opkomen voor het nationale belang is noodzaak; te kijk staan als de betweter die zijn gelijk niet krijgt, levert op dit niveau geen punten op.