Oppositie krijgt weinig ruimte

Deze krant besteedt veel aandacht aan de binnenlandse politiek. Daarbij ligt het accent op de discussie tussen kabinet en coalitiepartijen in het parlement. De oppositie krijgt relatief weinig ruimte.

Om enig inzicht te krijgen in de manier waarop de parlementsredactie te werk gaat, nam ik de kranten onder de loep van de laatste week van november en de eerste week van december. Politiek gezien hoog tij, want de Tweede Kamer behandelde nog departementale begrotingen en daarnaast waren er volop actuele kwesties, zoals de Nederlandse troepen in Irak, het `hek' om Rotterdam en de discussie over islamscholen.

Vooral de laatste week van november was een topweek; daarna nam het aantal artikelen iets af, maar gemiddeld over de hele periode had de krant toch zo'n tien artikelen per dag over politiek. Driekwart van de artikelen waren nieuwsberichten en analyses, ongeveer een kwart was opiniërend. In die laatste categorie zaten ook enkele opiniestukken van ministers en Kamerleden.

Anders dan vaak wordt beweerd, gaat het politieke nieuws niet hoofdzakelijk over poppetjes, persoonlijke ruzies en mannetjesmakerij. Het overgrote deel van de artikelen in deze krant betrof beleidszaken die elke burger raken, zoals ziekenfondsen, milieubeleid, allochtonen, verpleeghuizen, taxi's, basisvorming, drugsbeleid, babysterfte, stabiliteitspact, vrouwenmishandeling, koopkracht, enzovoorts. Alleen al de eerste week telde ik meer dan veertig onderwerpen.

In veel gevallen werd een verbinding gelegd tussen de dagelijkse praktijk in het land en de politieke discussie in Den Haag. Zo lazen we over een school in Kampen die worstelt met de basisvorming, over een verpleeghuis dat met winst draait en over Poolse werknemers die hier al lang blijken te zijn. Mooie voorbeelden van wat tegenwoordig de wisselwerking tussen `staat en straat' wordt genoemd, maar dan zonder het wezenloze straatinterview dat je op de televisie ziet.

Ook op politiek gebied beoefent de krant alle journalistieke genres (bericht, verslag, analyse, interview, portret, commentaar), maar het interview is toch een uitzondering. In deze periode mocht Kamerlid Buijs wat uitvoeriger uitleggen wat zijn motieven waren en hoe hij door zijn fractieleider was teruggefloten, maar daar bleef het dan ook bij.

In de gestage berichtenstroom valt op dat het kabinet een dominante positie heeft. Dat is begrijpelijk, want een regering hoort te regeren en dus zijn er voortdurend plannen, wetsontwerpen, maatregelen en uitspraken die aandacht verdienen. Vaak bepalen ministers en staatssecretarissen meer dan de helft van het nieuws. In verslagen uit de Tweede Kamer krijgen zij soms meer regels dan alle Kamerleden bij elkaar. En dat terwijl de Kamer dan eindelijk wat terug mag zeggen op de plannen die eerder zijn gepubliceerd. De aandacht van de verslaggever lijkt geconcentreerd op het resultaat van het debat: hoeveel water zal het kabinet ten slotte in de wijn doen.

In de verslaggeving van de Kamerdebatten spelen de regeringspartijen een grotere rol dan de oppositie. En dus lees je minder over de inbreng van PvdA, LPF, GroenLinks, SP, ChristenUnie en SGP dan over die van CDA, VVD en D66.

Niet altijd is die inbreng te kwantificeren, omdat verschillende fracties gezamenlijk worden behandeld. Kortheidshalve worden namen van individuele Kamerleden vaak niet genoemd. Een minister wordt veel eerder genoemd en letterlijk geciteerd dan een Kamerlid.

Toch werden in de genoemde twee weken nog 45 Kamerleden bij name genoemd: 26 van de drie regeringsfracties en 19 van vijf oppositiefracties. Binnen het regeringskamp scoorde vooral de VVD goed: 11 Kamerleden, tegen 10 van het grotere CDA.

Als we kijken hoe vaak die Kamerleden genoemd werden, is het voordeel van de coalitie nog duidelijker: 51 maal werd een woordvoerder van een regeringspartij vermeld (met Dittrich op kop) tegen 27 maal een Kamerlid uit de oppositiebankjes, dat is bijna twee keer zo veel. De VVD scoorde het hoogst met 23 op een totaal van 78.

Hoe begrijpelijk die aandacht voor het regeringskamp ook is, er zit ook iets onlogisch in. De kwaliteit van de democratie is immers mede afhankelijk van de inbreng van de oppositionele minderheid. In ieder geval moeten kiezers weten wat zij zeggen, waar mogelijk in letterlijke citaten.

Aandacht voor tegengeluiden is des te belangrijker omdat de heersende meerderheid in feite langs twee kanten aan het woord komt: zeer uitgebreid vanuit het kabinet met zijn departementale apparaat en dan ook nog eens via de regeringsfracties. Tegenover dat geweld is de stem van de oppositie altijd zwak. Dat was ook zo toen het CDA oppositie voerde tegen Paars.

Op dit moment krijgt de PvdA weinig voet aan de grond. Fractievoorzitter Wouter Bos kwam er in de krant van de genoemde weken nauwelijks aan te pas. Pas na een hele pagina in de Volkskrant en een optreden in Buitenhof gaf NRC Handelsblad hem deze week ruim aandacht. Maar tijdens de koopkrachtkwestie werd hij nauwelijks geciteerd.

Bijna notulaire Kamerverslagen zoals kranten vroeger hadden, zijn uit de tijd. Maar wat meer citaten uit alle hoeken van de Tweede Kamer ook van de kleine fracties zou meer recht doen aan het pluriforme optreden van de volksvertegenwoordiging.

Piet Hagen, oud-hoofdredacteur van `De Journalist', blikt eens in de veertien dagen kritisch terug op de berichtgeving in NRC Handelsblad. Alle eerdere bijdragen op www.nrc.nl/krantachteraf