Ondingen op de daken

Het staat er slecht voor met het ambacht. Haagse bestuurders hebben het afgeschaft. Zij die elektricien of loodgieter wilden worden, moesten de laatste decennia van alles leren behalve een vak. Gelukkig mogen ze straks hun handen weer laten wapperen, want er staat een onderwijs-revival van het ambacht voor de deur. Het enige obstakel is de benaming `ambachtsschool', een woord dat oubollig schijnt te klinken, vermoedelijk omdat het precies zegt wat het is.

Het mooiste ambacht lijkt me timmeren: iets nuttigs bedenken en daar dan vorm en standvastigheid aan geven. Neem de harington: een wonder van vernuft, dat ondanks gooi- en smijtwerk geen krimp geeft. Het is het kleine broertje van de New Yorkse watertank die al zo'n jaar of honderd, vaak onopgemerkt, de skyline van de stad medevormgeeft. Een ebbenhouten `vuurpijlachtige silootje', dat vanaf de hoogbouw-daken, via een pomp in de kelder, het kraanwater naar de lager liggende keukens en douches sluist. Het voert de waterdruk in de wolkenkrabbers op en levert in geval van nood het bluswater.

Kunstenares Ineke Hauer raakte in de ban van dat typisch New Yorkse dakenlandschap met zijn circa 17.000 tanks. Elk `vat op stelten' kost daar 20.000 dollar en gaat zo'n twintig jaar mee. In een sympathiek boekje laat Hauer een twaalftal schrijvers, journalisten, kunst- en architectuurkenners aan het woord over geschiedenis en onderhoud, over het New Yorkse `luchtlandschap' en de Nederlandse watertorens van weleer. Ze nam ook dertig van de vele zwart-wit foto's op die ze kris-kras in New York van de `wastobbe' of `Afrikaanse dorpshut' maakte, zoals de tank wel wordt genoemd. Compositorisch afgewogen opnamen waar vermoedelijk nogal wat klim- en klauterwerk aan te pas kwam.

In een nogal ik-verheffende bijdrage belooft de Rotterdamse architecte Francine Houben dat er op `haar' Rotterdamse Montevideo-wolkenkrabber, een woontoren bij Hotel New York, een paar van diezelfde tanks komen te staan. H.J.A. Hofland grijpt zijn kans om een vermakelijke hiërarchie in alle torentypes ter wereld aan te brengen – zonder vermelding van de oprukkende minaret. Als industrieel monument moet het houten, New Yorkse waterreservoir in deze hypergeavanceerde tijd wat hem betreft gewoon blijven voortbestaan, hoewel het boekje elders vermeldt dat er al stalen exemplaren oprukken. Dat laatste begrijp je beter na lezing van Rascha Peper, die vertelt hoe iemand letterlijk in zijn appartement rondzwemt nadat zo'n watertank is bezweken.

Lisette Lewin sluit het boekje af met het relaas van een Roemeen die korte tijd als een zombie in New York verbleef. Door schermutselingen met twee dames in zijn wooncomplex komt hij op het dak terecht en neemt er eens een kijkje onder de deksel van zo'n watertank: het krioelde er van de ratten. En om één van de twee vrouwen kwijt te raken laat hij haar in die rattentank verdrinken. Dat fantaseerde hij (en Lewin) althans. Een sfeervol verhaal, dat veraf staat van de verbijzondering, esthetisering, monumentalisering – enzovoort – die niet-Newyorkers op het dakverschijnsel loslaten. De Newyorkers vinden het overigens een `onding' – ze gunnen het geen blik waardig.

Ineke Hauer (red.): Hoog water. Ode aan de watertank van New York. Ad. Donker, 92 blz. €29,50

    • Marianne Vermeijden