Nooteboom

Alle schrijvers voelen zich miskend, Cees Nooteboom niet uitgezonderd, zoals we weten. Toen hij deze week de P.C. Hooftprijs kreeg toegekend, merkte hij op dat hij vorig jaar al de Goethe Prijs had gekregen, ,,een heel belangrijke die ook iemand als T.S. Eliot heeft gekregen''.

Het werd hoog tijd, Nederland, leek de schrijver ons toe te roepen.

Nu Nooteboom eindelijk de prijs heeft gekregen die hij verdient, zou ik een lans willen breken voor een deel van zijn werk waar je weinig meer over hoort. In zijn geval worden vooral de romans, essays en de grote reisverhalen genoemd en geroemd.

De schrijver Nooteboom is mij het dierbaarst gebleven als de kroniekschrijver Nooteboom, die in de jaren zestig enkele keren per week in de Volkskrant een stuk van zo'n duizend woorden schreef. Het waren doorgaans zeer persoonlijke impressies van de vele reizen die hij toen al maakte. Voor mij als jonge krantenlezer was het een ongekende sensatie dat flonkerende, eigenzinnige proza tussen al het grauwe nieuws te lezen. Het was een vorm van nieuwe journalistiek die ze in Amerika toen nog moesten uitvinden.

Overal dook Nooteboom op: het casino van Deauville, de 24 uursrace van Le Mans, een schrijverscongres in Schotland, verkiezingszaaltjes in Engeland en Frankrijk of zomaar ergens in zijn geliefde Spanje.

Die stukken zijn gebundeld in drie bundels: Een middag in Bruay, Een nacht in Tunesië en Een ochtend in Bahia. Ze waren 25 jaar nergens meer te krijgen, maar werden in de jaren negentig herdrukt in de Rainbow Pocketboeken. Ze zouden verplichte kost moeten zijn voor jonge journalisten en neerlandici, wat niet het geval is, vrees ik.

Ook voor Nooteboom zelf was het een belangrijke fase in zijn ontwikkeling als schrijver. In het voorwoord bij Een middag in Bruay schrijft hij: ,,Ik zou nooit de schrijver geweest zijn die ik ben als ik niet in 1961 van Joop Lücker (hoofdredacteur, F.A.) de kans gekregen had deze stukken voor de Volkskrant te schrijven. Dat heeft me gedwongen me met de wereld bezig te houden, en het heeft me de vrijheid gegeven me op mijn manier met de wereld bezig te houden.''

Hoe tijdgebonden de onderwerpen soms ook zijn, de stukken uit die periode zijn nog zeer leesbaar dankzij Nootebooms meesterschap over de taal. Ik herlees ze vaker dan de langere reisverhalen, waar Nooteboom wat minder lichtvoetig is geworden, want wat meer doordrongen van de eigen belangrijkheid.

Over zijn beste passages hangt vaak een waas van lichte, nooit verstikkende weemoed.

Zó besluit hij zijn stuk Engelse ochtend uit 1964: ,,Op weg naar Londen passeren ons andere, snellere treinen met andere mensen; de zes miljoen werkers die elke ochtend die stad binnenstromen als een ontzaglijke bloedstroom. Soms rijden we naast elkaar en kunnen dan in die treinen naar binnen kijken, slagorden rechtop zittende figuren, verborgen achter kranten, zes miljoen wezens die uit een ring van groenige dorpen en voorsteden de stenen stad binnendringen. Een uur later ben ik onherstelbaar tussen die zes, en de twee miljoen die er al waren, opgeborgen, een verschoven pionnetje, dat aan de leiband van een taxi door het onvoorstelbare verkeer slingert.''

    • Frits Abrahams