Na drie jaar steggelen over de koehandel van `Nice'

Sinds de Europese top in Nice ruziën de lidstaten over een hervorming van het Europese bestuur. Op de top in Brussel, die vandaag is begonnen, moet de ontknoping volgen. Als het lukt.

Onvrede over het resultaat van de koehandel op de Europese top van Nice drie jaar geleden heeft geleid tot een kettingreactie. De vandaag begonnen top van Europese regeringsleiders in Brussel is daarvan het eindstadium. Het probleem dat in Nice onbevredigend werd opgelost ligt vandaag opnieuw als de moeilijkst te nemen horde op de Europese onderhandelingstafel: hoe moet de macht verdeeld worden tussen de lidstaten van de Europese Unie?

In Nice werd het beschouwd als een zaak die opgelost moest worden vóór de uitbreiding van de Europese Unie. Het gold als noodzakelijk om de EU bestuurbaar te houden na toename van het aantal lidstaten van de vijftien huidige tot 25 in 2004 en 27 in 2007. Maar vooruitlopend op die uitbreiding onderhandelen vandaag in Brussel, anders dan in Nice, niet meer de regeringsleiders van 15, maar van 25 landen. Dat grote gezelschap maakt het vinden van oplossingen niet eenvoudiger.

Deze machtskwestie is het onderdeel van de onderhandelingen over het Europees grondwettelijk verdrag dat de meeste aandacht trekt. Dat komt doordat aan de ene kant Duitsland en Frankrijk, en aan de andere kant Polen en Spanje hun geschil over gekwalificeerde meerderheden in de EU als een kwestie van buigen of barsten hebben gepresenteerd.

Voorzitter Romano Prodi van de Europese Commissie noemde het gisteren geen slechte gedachte wanneer de nieuwe regeling pas over tien jaar van kracht zou worden, op voorwaarde dat Polen en Spanje nu hun verzet opgeven. De Franse president Jacques Chirac heeft net als de EU-voorzitter, de Italiaanse premier Silvio Berlusconi, de mogelijkheid gesuggereerd om het geschil over het stemgewicht pas begin volgend jaar op te lossen. Dat zou dan ook kunnen gebeuren met het besluit over de toekomstige omvang van de Europese Commissie. De voorstanders van een kleine, efficiënte Commissie staan tegenover de meerderheid van vooral kleine landen die allemaal een eigen eurocommissaris naar Brussel willen sturen.

De vandaag begonnen top in Brussel moet nog over een groot aantal minder in het oog springende kwesties overeenstemming vinden. Want het uitgangspunt van de onderhandelingen – het ontwerp van de Europese Conventie voor een grondwettelijk verdrag – is de afgelopen maanden door regeringen van de lidstaten op een flink aantal punten opengebroken.

De Conventie van 105 parlementariërs en regeringsvertegenwoordigers onder voorzitterschap van de Franse oud-president Valéry Giscard d'Estaing, heeft afgelopen zomer na anderhalf jaar werk een ontwerp verdrag gepresenteerd. Daarin staat niet alleen een oplossing voor de problemen van `Nice', maar zijn ook alle bestaande Europese verdragen samengevoegd en op veel punten gewijzigd. Bovendien is het Europees Handvest van de Grondrechten in het verdrag opgenomen.

Onomstreden is dat de Europese Raad, de vergadering van regeringsleiders, een vaste voorzitter of president krijgt die voor 2,5 jaar of maximaal 5 jaar wordt benoemd. Ook komt er een Europese minister van Buitenlandse Zaken, die voor een deel onder de Europese regeringen ressorteert en voor een ander deel tot de Europese Commissie behoort. Strijdpunt is nog of deze minister een omvangrijk eigen ambtelijk apparaat krijgt of van Commissieambtenaren gebruik moet maken. Het is een machtskwestie: hoe groot is de invloed van de Commissie en wat bepalen de landen? Op de Brusselse top moet ook bepaald worden of besluiten na een voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken met een gekwalificeerde meerderheid genomen kunnen worden of dat alle landen vetorecht houden.

Onder druk van vooral Groot-Brittannië heeft de Italiaanse EU-voorzitter vetorecht voorgesteld bij samenwerking op de gebieden van belastingen, strafrecht en sociale zaken, hoewel de Conventie dat juist had afgeschaft. De voorziene uitbreiding van de zeggenschap van het Europees Parlement over de jaarlijkse EU begroting kan bij sommige regeringsleiders ook op weerstand rekenen. De EU-voorzitter heeft tot nu toe vastgehouden aan het voorstel van de Conventie om een Wetgevende Raad van Ministers, hoewel slechts Duitsland en Portugal dit ondersteunen.

Het al of niet behouden van vetorecht bij het vaststellen van langetermijnbegrotingen van de EU belooft een flink strijdpunt te worden. Nederland wil vetorecht houden, omdat het denkt daarmee te voorkomen dat het te veel geld aan de EU moet betalen. Spanje wil over de mogelijkheid van veto blijven beschikken, omdat het denkt dit instrument juist te kunnen gebruiken om de EU tot het betalen van geld te kunnen dwingen. Met het voorstel dat op tafel ligt wordt de handhaving van het vetorecht vrijwel onmogelijk.

Niet langer omstreden is de opname in het verdrag van de mogelijkheid dat een beperkte groep landen op het gebied van defensie samenwerkt. Drie jaar geleden gaf Groot-Brittannië in Nice zo'n voorstel geen enkele kans. Ook de toezegging van wederzijdse bijstand bij een aanval op een EU-land, lijkt geen moeilijkheden meer op te leveren omdat neutrale landen een uitzondering krijgen.

Het meest exotische geschilpunt betreft de preambule die Conventievoorzitter Giscard persoonlijk voor het grondwettelijk verdrag heeft geschreven. Premier Jan Peter Balkenende, de Poolse premier Leszek Miller en de Italiaanse premier Berlusconi behoren tot degenen die daarin absoluut een expliciete verwijzing opgenomen willen hebben naar het Europese christelijk erfgoed. Frankrijk en België willen daar, op grond van het principe van absolute scheiding tussen kerk en staat, niets van weten. Om aan de al maanden durende discussie een eind te maken heeft Finland geopperd om de hele preambule van Giscard in de prullenbak te gooien. Maar dat voorstel maakt ook weinig kans.

Ten slotte strijdt Nederland nog tamelijk eenzaam voor opname in het nieuwe verdrag van extra garanties voor de naleving van de afspraken van het Stabiliteitspact voor de euro. De Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Ben Bot, heeft gezegd de onderhandelingen over het grondwettelijk verdrag desnoods weken of maanden te willen vertragen om de Nederlandse wens vervuld te krijgen.

Bij de vele Brusselse speculaties van de laatste dagen over de duur van de top speelde dit Nederlandse dreigement geen rol. In weddenschappen varieerde het slot van de top van morgenmiddag, of zondagmorgen vroeg, tot zelfs maandagmorgen.

    • Ben van der Velden