Musea

Met belangstelling heb ik de bijdrage van Janneke Wesseling over de Nederlandse musea gelezen (Cultureel Supplement, 5 december). Waar zij zich aan stoort is duidelijk: kinderachtigheid, tentoonstellingen als attracties, lange rijen bezoekers. Blockbusters. Toegankelijke kunst. Ziekelijke vernieuwingsdrang. Het bevestigen van bestaande kunstopvattingen. Nee, musea hebben een Belangrijke Taak. Zij moeten zelf- en maatschappijkritisch zijn, zij moeten serieuze, urgente kunstwerken tentoonstellen. Zij moeten oeuvres en stromingen tonen aan een publiek van volwassenen die op die manier in aanraking moeten komen met iets dat zij nog niet kennen (dus toch weer het dictaat van de Avant-garde). Kunstonderwijs is geen taak van musea, wel moeten topmannen worden opgevoed tot sponsors en collectioneurs. Kennelijk is ook dit laatste een overheidstaak.

Als voorbeelden worden de tentoonstellingen over Jongkind, Dürer en Kippenberger genoemd. Maar zijn de eerste twee nu juist geen voorbeelden van namen die iedereen kent, het basisingrediënt voor een blockbuster? Kippenberger is ook makkelijk, het Van Abbe trekt op dit moment immers massa's bezoekers wegens het nieuwe gebouw. Waarom noemen we niet Gerard Polhuis, een interessante kunstenaar die door het Utrechtse Centraal Museum al jaren wordt gevolgd. Op zijn grote oeuvretentoonstelling, jaren geleden, werden er van de duizend catalogi acht verkocht. Dan denk ik aan een zin van dezelfde auteur, in het Cultureel Supplement van 8 maart: `De Appel van Saskia Bos waar je nooit een hond tegenkomt.'

We willen de Nederlanders opvoeden tot kritische burgers, maar iedereen spijbelt. Topmannen en andere volwassenen hebben er kennelijk geen behoefte meer aan om opgevoed te worden. In dit vrije land kunnen alleen leerplichtige jongeren nog worden gedwongen een museum te bezoeken, maar dat wordt ook al afgekeurd. Ikzelf bezoek tentoonstellingen omdat ze mij leuk lijken, niet omdat ik opgevoed wil worden. Helaas (of gelukkig?) worden musea op bezoekersaantallen afgerekend. De laatste twee decennia is het aantal musea gestegen van 500 naar bijna 1000, terwijl er veel ander vermaak is bijgekomen. Willen we niet gewoon te veel? Als de subsidies minder zouden worden versnipperd, dan zou er op een paar plaatsen echt iets goeds gedaan kunnen worden, voor een publiek dat zo groot is als het nu eenmaal is. Dan hoeven de gesubsidieerde musea geen blockbusters meer te organiseren om te overleven, die kunnen we dan overlaten aan de Kunsthal(len).

    • Erik P. Loeffler