Huiskamerguerrilla

Zondag wordt Gerard Reve tachtig. Bewonderaars van de volksschrijver hebben de afgelopen maanden een favoriet citaat toegelicht. Vandaag, als laatste, Pieter Steinz.

Een stemmig winterverhaal is het. Een hilarisch portret van een eenzame pestkop. Een kroniek van schraal Amsterdam na de oorlog. Maar hoe ik De avonden ook gelezen heb, Reves meesterwerk blijft vóór alles een ongeëvenaard panorama van de generatiekloof. De huiskamerguerrilla van Frits van Egters tegen zijn vader en moeder mag dan even overdreven als tragikomisch zijn, ze is onmiddellijk herkenbaar; zowel voor de kinderen van vooroorlogs autoritaire ouders, als voor de generaties die opgroeiden in de jaren zestig en zeventig – onder het juk van onbegrijpende, onbegrijpelijke, maar misschien ook wel onbegrepen vaders en moeders.

De meestzeggende scène tussen Frits en zijn vader is te vinden in het begin van hoofdstuk negen, wanneer `de held van deze geschiedenis' na een avondmaal van rode kool, aardappelen, bieten en havermoutpap de pijnlijke stilte in de huiskamer probeert op te heffen. Na `een paar woorden om het gehoor te scherpen' vraagt hij zijn vader naar diens ervaringen als arbeider in de weverij. Het is vragen naar de bekende weg; Frits weet dat zijn vader twaalf was toen hij in de fabriek begon, dat hij van half zeven tot zeven moest werken, dat hij wegens het lawaai in gebarentaal moest spreken, en dat hij er vijf lange jaren heeft doorgebracht. Frits heeft het al vaak van zijn vader te horen gekregen; maar, zoals hij tevreden constateert na zijn eerste vraag: `Dat is in elk geval een kwartier gespreksstof.' Met sardonisch genoegen leidt hij het gesprek naar het bankje dat de oude Van Egters nodig had om bij de hoge machines te kunnen. `Nu komt het bankje', denkt hij, waarna zijn vader als op commando zegt: `Ze hadden een bankje voor me neergezet.'

Een kwart eeuw geleden moest ik op zijn minst grinniken om deze subtiele vernedering van een oude sul. Maar als ik de eerste bladzijden van hoofdstuk negen nu herlees, ligt mijn sympathie niet bij de Opstandige Jongeling maar bij de Vader van de Droevige Figuur. Zijn hele leven heeft-ie gesappeld, hij heeft zijn kinderen zo goed en zo kwaad als het kon grootgebracht, en als dank wordt hij in zijn eigen huiskamer belachelijk gemaakt door zijn etter van een zoon. Je hoeft niet eens zelf vader te zijn om daarin het hoogste onrecht te zien.

De generatiekloof is gedempt, hoor je de laatste jaren zeggen. Ouders en kinderen delen hun muzieksmaak, kijken naar dezelfde televisieprogramma's en dragen elkaars kleren. De scherpe links-rechtstegenstelling is uit de politiek verdwenen, en dus ook van de keukentafel; in de moderne Familie Doorsnee worden kinderen niet kort gehouden maar als gelijken gezien. Het kan geen toeval zijn dat De avonden op middelbare scholen nauwelijks meer wordt gelezen. De wereld die Reve beschrijft, staat lichtjaren af van Nederland anno 2004; het zijn berichten van een andere planeet. Nog maar een paar jaar en niemand onder de veertig zal meer kunnen lachen om Frits van Egters' mantra van het puberaal sadisme. `Abadida didonkolo bolde netsowan intedus, idatedo bewank dedestel.'

Pieter Steinz is redacteur literatuur en auteur van `Lezen &cetera;, Gids voor de wereldliteratuur'.