Helpen doet het allemaal niet

Gerard Reve, recent ontslagen uit het ziekenhuis, wordt aanstaande zondag tachtig. Er is één kort, geniaal verhaal dat het beste belichaamt van zijn schrijverschap: `Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard'. Een uitgekiende balans van wanhoop, hilariteit en religieus verlangen.

Bij de tachtigste verjaardag van Gerard Reve passen hevige en gemengde gevoelens. Gemengd, omdat de ooit onversneden bewondering toch het nodige van haar glans is kwijtgeraakt. Hevig, omdat het geen moeite kost om het oude enthousiasme weer terug te halen. Een paar jaar lang heb ik tussen kerst en oud-en-nieuw De avonden herlezen. Zodra het ging vervelen, maakte ik mijzelf wijs, zou ik volwassen zijn geworden. Iederéén las Reve. Een nieuw boek van hem was toen (eind jaren zestig, begin jaren zeventig) een gebeurtenis: wie toevallig zijn verjaardag vierde, kon rekenen op minstens drie of meer exemplaren, afhankelijk van de omvang van de vriendenkring.

Ook de mengeling van devotie en plezier in de Vondelkerk herinner ik me nog goed. Zelden zal er in een kerk zoveel zijn gelachen als op 23 oktober 1969, toen Reve vanwege zijn P.C. Hooftprijs werd gehuldigd met een goochelaar, een acrobaat, de Zangeres Zonder Naam, een muziekkorps en een achteraf bezien opmerkelijk ernstig vraaggesprek. Reve werd nog erg serieus genomen en hij nam zichzelf serieus, zij het op zijn bekende dubbelzinnige, ironische manier – er viel niet voor niets zo veel te lachen.

Ik weet dat er lezers zijn die zweren bij De ondergang van de familie Boslowits (1950) en Werther Nieland (1949). Inderdaad, een briljant verhaal, een schitterende novelle, en – ik kan het nu wel weer toegeven – ook De avonden (1947) is geweldig. Misschien zal de eeuwigheid alleen dit vroege werk bewaren, maar de Reve die zich voorgoed in het vaderlandse collectieve geheugen heeft genesteld, dat is toch in de eerste plaats de schrijver van de beide brievenboeken Op weg naar het einde (1963) en Nader tot U (1966). De geestige, verneukeratieve, bezopen, maar ook dramatische, verheven en profetische toon die hij daarin aansloeg, was volstrekt onweerstaanbaar en is bovendien bepalend gebleken voor alles wat hij naderhand heeft geschreven.

Dat geeft meteen het verschil aan met dat latere werk. Destijds kon Reve zich nog verbazen over wat hij schreef en over het succes dat hij ermee had. Ook toen speelde hij toneel, dat heeft hij altijd gedaan, maar hij viel samen met zijn rol. Nadien is hij zich steeds meer gaan gedragen als een geroutineerde entertainer die precies weet wat het publiek van hem verlangt en gewillig aan de vraag voldoet. Zijn vondsten werden formules, eindeloos herhaald, terwijl ze ooit ontdekkingen waren, zowel voor hemzelf als voor zijn lezers.

Op de Achterpagina van deze krant loopt al enige tijd een serie, waarin bekende bewonderaars wordt gevraagd hun favoriete Reve-citaat toe te lichten. Bijna iedereen die in de jaren zestig en zeventig literatuur las, zou eraan mee kunnen doen. Reves proza (en poëzie) lééft, in het geheugen van zijn publiek. Ook als je de letterlijke tekst niet meer weet, kun je je altijd nog wel de – vaak bizarre – context herinneren waarin hij thuishoort. Zet een paar liefhebbers bij elkaar, en de ene anekdote volgt op de andere, terwijl de sprekers over hun eigen woorden struikelen en weldra door de slappe lach niets meer kunnen uitbrengen.

Het kan haast niet anders of op zeker moment zal ook de volgende anekdote opduiken. Over het bezoek dat de beroemde schrijver zich zo nu en dan in het verre Friesland moet laten welgevallen. Reve moet opeens denken aan `dat artistieke wijf [...], dat indertijd met een cineast of fotograaf was meegekomen; dat op karton schilderde, ,,heel goed verkocht maar er nooit moeite voor deed'' en dat, naar ik me nu weer woordelijk herinnerde, uit ons keukenraam naar huis en erf van de buren had geloerd en gevraagd had: ,,Wonen daar ook mensjes?'' ,,Ze moesten een brandende poppenwagen je kutwerk binnenrijden'', had ik toen wel gedacht, maar om God weet welke laffe reden niet gezegd'.

De passage komt uit Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard, dat in 1967 als een aparte uitgave verscheen, met die veertien etsen erbij afgedrukt. Alleen al de titel is prachtig, vooral dat `voor arbeiders verklaard', ontleend aan een boek van Gorter over het historisch materialisme.

Als ik in het hele oeuvre van Gerard (toen nog Gerard Kornelis van het) Reve één tekst moest aanwijzen, waarin alles en ook nog het beste wat hij als schrijver belichaamt aanwezig is, dan zou ik dit meesterwerkje kiezen. Als verhaal is het volmaakt, terwijl het toch uit niets anders lijkt te bestaan dan uit `gezegend' geoudehoer. Op hooguit twintig bladzijden wordt meer gezegd dan elders op vele honderden bladzijden. Tegelijkertijd oogt het als niets.

De oeverloosheid van het geklets, de routineuze herhaling, het opduiken van steeds weer dezelfde stokpaardjes – hier wordt het enkel gesuggereerd. Terloops. `Gewoonlijk, als ik Bullie wilde uithoren over vroeger...', schrijft Reve, en we begrijpen: Bullie wordt dus vaker uitgehoord. Staat er vervolgens dat Bullie `zijn gebruikelijke gedachten [begon] te ontvouwen over de menselijke samenleving', dan weten we dat de ander al grondig met die gedachten vertrouwd is. De verbale muziek bij het drinken van deze twee `geschoolde happers' is een eeuwige wederkeer van hetzelfde. Al na drie alinea's wordt de eerste fles wijn ontkurkt, maar het is tegelijk de zoveelste. In het `lege land' rond Reves Friese huisje kun je blijkbaar maar één ding doen, keer op keer op keer, net zo lang tot het niets meer betekent en zelf `leeg' is geworden.

Toch gaat dit verhaal wel degelijk ergens over. Het gaat zelfs over heel veel, maar in eerste instantie over het kunstenaarschap. De verteller (Reve zelf) en Bullie van der K. (Frans Lodewijk Pannekoek) zijn allebei kunstenaars. Bullie komt langs om zijn vriend een zestal ganzenveren te brengen. Het werk vlot niet erg (Reve heeft wel `tal van opmerkelijke gedachten over God en de Dood', maar bruikbare zinnen of regels willen er niet uit voortkomen) en wie weet helpen de ganzenveren. Elk excuus is goed om aan de borrel te gaan. Een rituele gedachtewisseling geeft het startsein. Bullie: `Een matig gebruik verdient alleszins aanbeveling'. Reve: `Wijn, dat kan nooit geen kwaad. Ik heb er over geschreven ook'.

Daarna is er geen houden meer aan. De drank vloeit (`Olie voor China's lampen'), het gesprek kabbelt voort en onontkoombaar dienen de obsessionele herinneringen en associaties zich aan, terwijl buiten de schemering invalt. Eenvoudiger kan haast niet, maar eenvoud is in dit geval ook raffinement. Zie de parallellie tussen het `zwervende leven' van Bullie, aan de `zelfkant' nog wel, en het leven van Reve, waarin zich nooit iets had afgespeeld `buiten het bestek van nette armoede'. Daar staat tegenover dat Reve beroemd is en door zijn lezers op handen gedragen wordt, terwijl Bullie nauwelijks erkenning krijgt en in een brand vrijwel zijn hele oeuvre is kwijtgeraakt.

Reve tracht hem een hart onder de riem te steken, door de brand te vergelijken met het faillissement van Rembrandt en het afgesneden oor van Van Gogh; Bullie zelf ziet een lichtpuntje wanneer de postmeester van zijn dorp ter sprake komt, een van de weinige `rechtvaardigen', aangezien hij bij hem krediet heeft gekregen. Echt helpen doet het niet, al is deze postmeester aanleiding voor een typisch reviaanse fantasie, waarin hij, in drastisch verjongde gedaante, het Laatste Oordeel mag aankondigen. Daarna zien we hem, in Bullies verhaal, weer als vanouds op aarde rondstruinen, en wel in de keuken, waar hij het deksel van de pan zuurkool met worst licht, vragend `of het een Unox worst is, want dan wilde hij graag het loodje hebben aangezien zijn vrouw die spaarde, voor een set prikkers bij de borrel'. Reves commentaar: `Wij vertolken de diepste verlangens en dromen der mensheid'.

Toch biedt ook de ironie geen soelaas: `Niets beklijfde of hield stand, behalve misschien de liefde', peinst Reve. Zelfs de wind doet inmiddels mee en zingt `van een verloren leven, waarin al heel weinig gebeurd was'. Een spannend leven bij de een, een leven waarin niets gebeurt bij de ander, roem en echec – het laat zich tegen elkaar wegstrepen. Alles loopt, dankzij noodlot en alcohol, op niets uit. Een even onontkomelijke als bij Reve vertrouwde slotsom. En dan, in de laatste alinea, wordt de zaak omgekeerd.

De opeenhoping van nietigheid mondt uit in het verlangen naar `een lied [...] dat allen zou gedenken die eens geleefd hadden, en dat alles moest vieren, dat eens adem had gehad; wier namen te talrijk waren dan dat alle verf, linnen, papier, inkt en papier ze ooit zouden kunnen bevatten, maar die geschreven stonden in het Boek dat misschien eens door het Lam, en door het Lam alleen, zou mogen worden geopend'.

Ziedaar het wonder: het niets is in één klap `allen' en `alles' geworden, de `opmerkelijke gedachten over God en Dood' zijn getransformeerd in een lied dat kan concurreren met `het Boek'. De melancholische treurnis van het kunstenaarschap komt onverwachts in het teken van de uiteindelijke verlossing te staan, voorbereid door die metafysische postbode en door Bullies verhaal `over vroeger', over een jongen met wie hij op school heeft gezeten en die vijf jaar te voren dodelijk blijkt te zijn verongelukt.

Zodra het gesprek in zíjn richting gaat, is Reve een en al oor, net als de oplettende lezer, die weet dat we nu bij de `Meedogenloze Jongen' komen, in Reves persoonlijke mythologie een symbool van de dood en van God. De `eeuwig wijkende' en de `eeuwig onvindbare' wordt hij in een van zijn brieven genoemd. Met deze verongelukte vriend treedt bovendien de seks het verhaal binnen, weliswaar als vergeefs verlangen en niet als bevrediging, maar dat is bij Reve vaker het geval.

Alle vaste thema's (`seks, drank en dood', heet het in Nader tot U) zitten in dit korte verhaal, niet eindeloos uitgerekt en aangelengd, maar in een ongewoon sterke concentratie, zonder dat je ook maar een moment het idee krijgt dat de schrijver de boel forceert. Soepel en vanzelfsprekend laat Reve alles op zijn plaats vallen, in een uitgekiende balans tussen zwaarmoedigheid, hilariteit en religieus verlangen. Een triomf van zijn schrijverschap, en dat in een verhaal waarin de kunst ogenschijnlijk tot `niets' wordt gereduceerd. Maar zoiets past wel bij deze mystieke dialecticus, voor wie het Absolute – volgens een oud romantisch recept – alleen via contradicties en paradoxen kan worden benaderd.

Nog duidelijker blijkt dat uit het gedicht `Het zorgeloze kunstenaarsvolkje', een poëtische pendant van deze voor arbeiders verklaarde Veertien etsen. Vooral de eerste versie (die Reve in een brief aan Pannekoek van 14 augustus 1966 citeert) is veelzeggend:

Ik had met Frans weer oeverloos gedronken,

en toen getwist. Een fles kwam op mijn kop.

Maar het revolverschot in korenveld bleef uit,

en ook mijn oor zit er nog aan, o Eeuwige!

Uw Licht is duisternis, Uw stem is zwijgen,

de leegte Uw aanwezigheid.

In de latere versie (opgenomen in Het zingend hart uit 1973) ontbreken de regels waarin de `Eeuwige' wordt aangeroepen. Ze hangen er ook een beetje los bij, je moet het – overigens pas later geschreven – verhaal in het achterhoofd hebben zitten om de verbinding met het voorgaande helemaal te vatten.

Waarover de beide vrienden hebben getwist? Dat vermeldt gedicht noch verhaal. Wèl laat het zich reconstrueren uit de correspondentie met Pannekoek die Reve heeft verzameld in Het lieve leven (1974). Onmiddellijk na het verschijnen van Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard haalde Reve een practical joke uit, gretig overgenomen en verbreid door de media: Pannekoek en hijzelf zouden één en dezelfde persoon zijn. Uit hun correspondentie blijkt daarentegen, ondanks een onmiskenbare congenialiteit, vooral hoezeer beide kunstenaars van elkaar verschilden.

Misschien moet je zeggen: hoezeer Reve van Pannekoek wilde verschillen. In deze tijd begon hij zich de `burger-schrijver' te noemen, wat als een goede grap werd beschouwd. Maar Reves humor is nooit alleen maar grappig. De burgerlijkheid die hij zichzelf toedichtte, was eerder een onbereikbaar ideaal, dat hij om die reden des te verbetener najoeg. Alles wat de burger aan vrijheid en nonconformisme met de kunstenaar placht te associëren, werd in toenemende mate door hem verketterd – totdat hij zich zelfs gedwongen zag om de vriendschap met Pannekoek (die blijkbaar volledig aan deze associaties beantwoordde) op te zeggen.

Wanneer het – in 1969 – tot een breuk komt, schrijft Reve dat hij niet langer `geconfronteerd [wil] worden met die toestand van sociaal failliet en pauperdom, die je, daar ben ik nu onwrikbaar van overtuigd, zelf zoekt, en zelf schept'. Om vervolgens zijn eigen credo samen te vatten: `Kunst is op de eerste plaats gestage, moeizame arbeid [...] Ik spuug op alles wat bohémien wil zijn en denkt dat het sjiek is om in een troep te leven...'

Ook hier is de contradictie of in elk geval de paradox niet afwezig, zoals vrijwel steeds bij Reve. Want zijn grote succes bij het publiek kreeg hij pas nadat hij zich als schrijver juist had laten gaan, in `reisbrieven' voor Tirade die hij aanvankelijk niet eens als kunst wilde zien. Ware kunst moest immers gehoorzamen aan `onwrikbare, van de tijd en de heersende smaak onafhankelijke wetten'. In een bloedserieus artikel over de tragedie uit 1960 lezen we: `In de gehele schepping, voor zover wij die kunnen onderzoeken, vinden wij orde en wetmatigheid, en de kunst, al ontstaat zij door een nog zo samengesteld proces van menselijke activiteit, kan hierop geen uitzondering zijn'.

Uit de mond van iemand die drie jaar later (in een brief) zijn hele leven zou omschrijven als `één eindeloze strijd tegen de chaos', klinkt het als een krampachtige bezwering. Met de tragedie werd het dan ook niks. Maar in de virtuoze volzinnen van zijn – oorspronkelijk uit `kopijnood' geschreven – reisbrieven, waarin juist deze `strijd tegen de chaos' het grote thema zou worden, vond hij wèl de ideale vorm die hij in het theater vergeefs had gezocht.

Reve ontwikkelde in deze brieven zijn beroemd geworden theorieën over het `zinloze feit' en het `nutteloze verhaal', tegenpolen van de vermeende wetmatigheid van de kunst en misschien wel daarom des te effectiever. De ogenschijnlijke wanorde van het epistolaire betoog bood alle ruimte voor zijn hoogst eigenzinnige gevoel voor humor, zijn retorische afwisseling van verhevenheid en banaliteit en zijn aanstekelijke geoudehoer. Het keurslijf van de literaire theorie werd afgeworpen, en de beloning kwam prompt: Reve werd de lieveling van het Nederlandse publiek, dat zijn worsteling met drank, depressie, liefde en God geïmponeerd volgde.

De `orde en wetmatigheid' van de schepping vielen voortaan buiten het menselijke bevattingsvermogen. Wat Reve tevoren in zijn literaire theorieën had gezocht, vond hij nu in zijn onorthodoxe religieuze speculaties, terwijl de literatuur de plek werd waar de reëel bestaande chaos en het verlangen naar orde in volle hevigheid op elkaar mochten botsen. Dat twee grote misverstanden hiervan het gevolg waren, hoeft niet te verbazen.

Het ene misverstand nam, in 1967-1968, de vorm aan van het befaamde `ezelproces'. Reve werd officieel beschuldigd van godslastering; een beschuldiging waartegen hij zich – met reden – hartstochtelijk heeft verzet. Voor het andere misverstand zorgden zijn bewonderaars, die hem door dik en dun steunden, hoewel zij zelf nog maar net hun eigen godsdienstigheid hadden verruild voor een `ludieke' vrijheid die stiekem was afgekeken van het door Reve zo verafschuwde `zorgeloze kunstenaarsvolkje'.

Bij Reve kon men zich koesteren – desnoods zonder het zelf volledig te beseffen – aan de bekende taal van preekstoel en kansel, maar nu vermengd met zoveel ironie en dubbelzinnigheid dat zelfs de vroomste woorden geen gevaar vormden voor de recente ontkerstening. Integendeel, doordat Reves ironische religiositeit het afgezworen geloof der vaderen nog even vasthield, werd het gemakkelijker om te wennen aan een wereld zonder alles omarmende en dragende religie. Reves uitzinnige populariteit van die dagen lijkt mij alleen te begrijpen in het licht van deze overgangstoestand, waarbij het kennelijk voor bijna niemand iets uitmaakte dat Reve zich in de tegenovergestelde richting bewoog.

Als excuus, voor zover een excuus nodig is, mag de verbluffende intensiteit van zijn toenmalige werk gelden. Hoewel Reve zich nog vaak heeft herhaald, is die intensiteit helaas onherhaalbaar gebleken. Maar zij is niet verloren gegaan: om haar opnieuw te ervaren hoef je alleen maar een geniaal én exemplarisch verhaal als Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard te herlezen.

`Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard' is opgenomen in deel 2 van het `Verzameld Werk' van Gerard Reve (L.J. Veen, 766 blz. €36,26). De oorspronkelijke uitgave is tweedehands nog verkrijgbaar, voor prijzen variërend van €45,– tot €850,–

Deze week verschijnt bij De Bezige Bij: `Gerard Reve. De jongste voordracht'. Insteekmap met 17 vellen en een dvd, €47,50. Tweeduizend genummerde exemplaren.

    • Arnold Heumakers