Geen enkel seizoen deugt

Wintervitrines, de nieuwe poëziebundel van Jan Wolkers, bevat, zoals de titel doet vermoeden, veel gedichten over de loop der seizoenen en vooral over de winter. Veel gedichten thematiseren de uit den treure beproefde associatie van het barre winterseizoen met de kille levensavond. Het gedicht `Winter' eindigt bijvoorbeeld zo: `de geometrie van sneeuw / stelt de wet / de eg van ijspegels / hangt boven de smetteloze / sprei van de dood'. De dichter ziet Hermes psychopompus zijn duingebieden doorkruisen. Persephone duikt bij voortduring op en onder en ook Hades is nooit ver weg.

Maar ook in de overige, normaal toch zo geliefde seizoenen is het niet idyllisch toeven. Zo is de zomer: `verstijfd in doods groen / de aardstammen' en `Sappig gewas versmelt tot krultabak.' Zo is de herfst: `De incest van de zelfbestuiving / Ligt bloot in vruchteloosheid.' Het ontluiken van pril leven in april geeft aanleiding tot de aan T.S. Eliot refererende verzuchting `De winterslaap wordt wreed verstoord door groeikracht' en tot deze observatie:

De huiver doet het tere groen verstijven.

Men tilt een blad op en daar staat geschreven

In taal die slechts de wormen is gegeven,

Dood, dood, en nog eens dood, en even leven.

Alle seizoenen zijn doortrokken van ellende en dood. De bundel eindigt geheel in funeraire stijl met deze verzen: `Een kraai krast dat het is volbracht. / Ik sluit mijn mond en geef geen kik, / Dit is de dood en dat ben ik.' In de hele bundel spreekt één consequente stem en dat is de stem van een grimmige grijsaard die in de winter van zijn leven alleen nog oog heeft voor het verderf waarvan de cyclus der seizoenen en generaties is doortrokken.

Wolkers is op zijn best als hij de zegeningen van de toch zo mooi in elkaar geschapen natuur ontmaskert en haar ware gezicht besmeurt met klodderige verzen vol modder. Het smelten van sneeuw in het voorjaar beschrijft hij zo: `De druiper van de dooi lekt sneeuw tot modder'. In een ander gedicht kan hij hetzelfde zelfs nog beter zeggen: `De dooi ratelt de weke sneeuw melaats'. Het gouden herfstlicht van november, door velen hogelijk geprezen, beschrijft hij zo: `Zonlicht hangt als rottende gember tussen de takken.' De `lieflijkheid van mei' is niets meer dan dit: `Het zompig diorama ligt in barensnood'. Zo is het spel van licht en schaduw op een heuvel in de zomer: `Een legpuzzel van woede stroomt de helling af'. Dit zijn mooie regels door de combinatie van rake beeldspraak en aanstekelijke grimmigheid. Zwaar overschat, die hele natuur.

Hier staat tegenover dat Wolkers er zijn hand niet voor omdraait om verbijsterend oubollig te zijn. Hij is niet alleen ouderwets in zijn thematiek, maar ook in zijn formuleringen. Hij schaamt zich er in het geheel niet voor om dit soort verzen op te schrijven: `Wie drukt mij in de cirkel van voleinding' of `Het gouden lichaamshaar, speeltuin, hoe lang geleden / Voor wulpse lippen en voor spitse vingertoppen / Is grijs'. Het is door en door conventioneel, zowel de gedachte als de structuur van de formulering en zelfs de keuze van de adjectieven. Een vleermuis `zwenkt', een nar grijnst `sardonisch', `winterleed' kent een `raggrijs verschiet' en er is sprake van een `blinde ziener zonder ogentroost'. Ogentroost! In 2003! In 1903, de goede oude tijd waarin de azuren zwerken ons nog om de oren vlogen, moest je al flink door de Muze beneveld zijn om zo'n kunstmatig en archaïsch riekend woord te durven gebruiken. En ook de dood, waar het bij voortduring over gaat, wordt verbluffend traditioneel geportretteerd. Hij `staat aan de poort, / En merkt dorpels en deurposten met [...] tekens' en er is sprake van `de blaaspijp des doods'. Alleen de zeis kon ik niet vinden.

Kortom, met de poëzie van Wolkers is iets merkwaardigs aan de hand. Enerzijds is er onmiskenbaar iets sympathieks aan deze bundel en waarschijnlijk is dat precies hetzelfde als wat Jan Wolkers als persoon sympathiek doet overkomen. Hij heeft overal lak aan, kan hem het ene zier schelen dat hij zich met zijn geschimmelde thematiek en schaamteloos archaïserende verzen volledig buiten de hedendaagse poëzie plaatst, hij doet gewoon wat hij wil. En daarbij schrijft hij soms krachtige, rake regels, bijna per ongeluk, lijkt het wel. Anderzijds is het gewoon niet goed, op een manier die te vergelijken is met de manier waarop charmante, dilettantistische gedichten van een niet onverdienstelijk zondagsdichter gewoon niet goed zijn. En dat is omdat het, ondanks het niet te verloochenen persoonlijke engagement, ontbreekt aan engagement voor de poëzie. Wolkers doet zijn best om de natuur te slopen; hij had meer zijn best moeten doen om ook de poëzie te slopen en haar een nieuwe stem te geven in plaats van zich te vermijen op de stoffige zolder van haar verleden.

Jan Wolkers:

Wintervitrines. Gedichten.

De Bezige Bij, 62 blz. €19,90