Exit

Met de algehele verloedering in dit land valt het eigenlijk best mee, aldus de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in zijn rapport Normen, waarden en de last van het gedrag, dat afgelopen maandag verscheen. Wij leven met bijna zestien miljoen mensen op een heel klein stukje aarde en doorgaans weten we redelijk hoe het hoort en proberen we daarnaar te leven. Dat neemt niet weg dat er in de openbare ruimte wel het nodige mis gaat. De WRR introduceert een schaal van overlast, variërend van onprettig gedrag (voordringen in winkels) naar onbehoorlijk gedrag (niet opstaan voor ouderen of zwangere vrouwen) en onduldbaar gedrag (pesten op school) tot onwettig gedrag (winkeldiefstal, vandalisme en erger). De raad adviseert de overheid om zich te beperken tot het bestraffen van onwettig gedrag, want dat is al lastig zat. Het corrigeren van onprettig, onbehoorlijk of onduldbaar gedrag zou de overheid moeten overlaten aan instituties (de NS, scholen, sportclubs, badmeesters) en aan individuele burgers.

De meeste ergernissen die te maken hebben met het moderne multiculturele samenleven vallen volgens de raad in de drie lichte categorieën. Marokkaanse man laat zijn vrouw drie meter achter zich lopen. Onprettig gedrag. Moslima gaat zwaar gesluierd over straat. Onprettig gedrag. Opgeschoten allochtone jongeren maken seksueel getinte opmerkingen gericht tegen passerende jonge vrouwen. Onbehoorlijk gedrag. Turks gezin kijkt uitsluitend naar televisie uit het land van herkomst via de schotelantenne. Onprettig gedrag. Dulden en verdragen of discussiëren is hier het advies van de raad. De overheid mag en moet pas ingrijpen als er sprake is van ernstige vergrijpen (aanranding, verkrachting, eerwraak).

Zolang het gaat over wilsbekwame volwassenen ben ik het grotendeels eens met de WRR. Maar hoe moet het op basis van dit rapport met allochtone kinderen? Nemen wij een kleine Fatima die opgroeit in een traditioneel islamitisch gezin in een betrekkelijk homogene etnische gemeenschap met een grote mate van sociale controle, ergens in een zwarte wijk in een van de vier grote steden. Ouders hebben onder het regime van de WRR een grote vrijheid bij het inrichten van hun eigen leven en dat van hun kinderen. Als Fatima's ouders behoefte zouden hebben aan opvoedingsondersteuning zouden zij zich in de WRR-optiek moeten kunnen aanmelden bij een opvoedingscursus of bij het maatschappelijk werk. Maar Fatima's ouders hebben daar geen behoefte aan. Fatima bezoekt een islamitische school en zorgt na schooltijd voor haar jongere broertjes en zusjes. Islamitische scholen zijn in de optiek van de WRR geen probleem, de raad spreekt met waardering over artikel 23 van de Grondwet, dat zou kunnen worden beschouwd als de uitwerking van het beginsel van `democratisch zelfbestuur' binnen een pluriforme samenleving. Fatima is geen lid van clubs of sportverenigingen. Vanaf haar tiende moet Fatima van haar vader een hoofddoek dragen. Haar vader heeft haar uitgelegd dat niet-hoofddoekdragende, westerse vrouwen hele of halve hoeren zijn. Fatima's ouders hebben haar leven wel ongeveer uitgestippeld: zij zullen in hun oude geboortedorp een geschikte man voor haar zoeken als zij de huwbare leeftijd heeft bereikt en dan kan Fatima op haar beurt de tradities van haar etnisch-godsdienstige groep doorgeven aan haar eigen kinderen.

De Nederlandse wet en de Nederlandse overheid doen van alles voor Fatima's ouders: zij hebben vrijheid van godsdienst en vrijheid van onderwijs en vestigingsvrijheid en recht op eerbiediging van hun gezinsleven. Zij hebben recht op een uitkering als ze niet in hun eigen onderhoud kunnen voorzien. Zij mogen een politieke partij oprichten naar hun eigen politieke overtuiging of zich aansluiten bij de Arabisch Europese Liga. Maar wat doet de Nederlandse overheid voor Fatima? De overheid zal erop moeten toezien dat haar islamitische school haar en haar medeleerlingen respect voor de democratische rechtsstaat bijbrengt, aldus de WRR. De overheid moet er voorts voor zorgen dat leden van etnische of religieuze groepen onprettige praktijken in eigen kring ter discussie kunnen stellen. Nederlandse burgers moeten competenties aanleren om mee te kunnen denken en doen in een democratische rechtsstaat. Maar hoe en waar moet Fatima die vaardigheden opdoen? In haar zwarte wijk? Op haar islamitische school? In haar familie? De overheid moet Fatima ten slotte de mogelijkheid bieden uit te treden uit haar eigen groep; zij moet terecht kunnen bij vertrouwenspersonen van de Raad voor de Kinderbescherming en later in een blijf-van-m'n-lijfhuis. Valt zo'n recht op exit wel te realiseren voor leden van een transnationale gemeenschap? Fatima's ouders kunnen haar terugsturen naar hun land van herkomst om daar te worden opgevoed door grootouders of ooms en tantes. Of ze kunnen daarmee dreigen als Fatima zich wil onttrekken aan de sociale controle binnen de groep. Heeft Fatima wel voldoende in huis om zich daartegen te weer te stellen?

Burgers in Nederland moeten kunnen omgaan met pluraliteit, aldus de WRR, die dat de belangrijkste eis vindt die aan burgers mag worden gesteld. Moet de Nederlandse overheid er dan niet voor zorgen dat kinderen op school inderdaad met die pluraliteit in aanraking komen, in plaats van artikel 23 heilig te verklaren?

    • Margo Trappenburg