Eindelijk eigen baas

Haar auditie bij Wim Kan, in 1955, verliep niet best. Hoewel ze dacht een buitengewoon komisch nummer als zwoele vrouw op te voeren, zag Marjan Berk dat de vooraanstaande cabaretier zijn hoofd `pijnlijk getroffen' afwendde. Haar kans om toe te treden tot het ensemble van Kan leek verkeken. Totdat 's mans echtgenote Corrie Vonk haar kwam vertellen dat ze was aangenomen. Pas jaren later hoorde ze dat Wim Kan zijn vrouw smekend in het oor had gefluisterd: `Corrie, hoef ik dit meisje niet te nemen?' En dat Corrie Vonk hem toen kordaat zou hebben geantwoord: `Jawel! Ze is zielig! Ze heeft een kind!'

Zo'n verhaaltje typeert de zelfspotstijl waarin Marjan Berk, de cabaretière die schrijfster werd, haar herinneringen optekende. Evenals trouwens de kokette titel waaronder ze die nu publiceert: Memoires van een dame uit de goot van het amusement. Op de grootspraak die in dit genre gebruikelijk is, valt zij niet te betrappen. Integendeel: `Relativeren, alles en iedereen belachelijk maken, vooral jezelf, dat ging haar beter af,' citeert ze uit haar eigen roman Rook in de ribben, die nu een zelfportret blijkt te zijn.

Meer dan vijfentwintig jaar lang was ze in haar eigen bewoordingen `een bruikbare kracht met aardige momenten', die desgewenst ook kon poseren als `een kittige vedette' en vaak behendig gebruik maakte van `mijn hese kinderstem'. Ze was heus wel wat waard, dat weet ze zelf ook, maar ze maakt er niet meer van dan het was.

In monkelende termen kijkt Marjan Berk terug op haar theater- en tv-carrière, die haar steeds minder voldoening bood: `Alsof er voortdurend iets onvervuld bleef, ondanks al dat ijverige geploeter op het toneel, het afzien van een regulier gezinsleven, honderden voorstellingen weg van huis en haard, zittend in een bus op het uur dat ze thuis met de hulp gezellig aan tafel zaten boven de ovenschotel die ik eerst nog had klaargemaakt.'

Als solo-vedette was ze niet in de wieg gelegd, zegt ze, het ensemblewerk lag haar beter: `Meedoen, dat was mijn streven.' En meedoen heeft Marjan Berk volop gedaan – in de cabaretgroepen van Wim Kan, Jaap van de Merwe en Lurelei, in musicals, bij toneelgezelschappen, in kluchten en in tv-series als Oebele en De fabriek (pas nog herhaald). Goedlachs, en met een scherp oog voor de relativering, vertellen haar memoires hoe ze zich al die jaren – niet zonder succes – een weg heeft gebaand in een vak waarin ieder seizoen onzeker is of er volgend seizoen ook nog weer werk te vinden zal zijn. Dat ze intussen aan de lopende band kinderen kreeg, wordt allengs een running gag. Ook verder is haar privé-leven in dit boek vooral een bron voor anekotes, geen aanleiding voor veel intieme ontboezemingen.

Het besluit om te gaan schrijven – direct na de dood van haar vader `voor wie ik mijn leven lang doodsbang was geweest' – vormt min of meer de afsluiting van deze Memoires. Hoe belangrijk het voor haar was, laat zich aflezen uit een passage over haar eerste schrijfpogingen. `Ik was bezig om van een huurling een zelfstandig opererend mens te worden,' stelt ze vast. `Ik hoefde niet meer in mijn ondergoed in Winterswijk op een tochtig toneel te staan om onder de blikken van een brandweerman van kleren te wisselen. Ooit, op een dag, zou ik mijn eigen directeur worden.'

Marjan Berk: Memoires van een dame uit de goot van het amusement. Atlas, 240 blz. €16,50