Een Hollandse dokter censureert Voltaire

Aan de voet van een gedenkteken voor keizerin Maria Theresia in Wenen staan beelden van de vier mannen die haar belangrijkste steunpilaren zijn geweest. Een van hen is een Nederlander, de Leidse notariszoon Gerard van Swieten, die als lijfarts van de vorstin, universitair hervormer en censor een grote rol heeft gespeeld in de universitaire wereld van het Habsburgse rijk. Van Swieten (1700-1772) kreeg er de titel van baron.

In Nederland heeft deze katholieke medicus nooit veel aandacht gehad, maar die verwaarlozing wordt nu in één klap goedgemaakt door de gedegen biografie van J.K. van der Korst Een dokter van formaat, mede gebaseerd op talloze brieven van Van Swieten die lange tijd verloren zijn gewaand.

Gerard van Swieten werd geboren in Leiden, destijds het Europese Mekka van het geneeskundig onderwijs. Die faam was in hoge mate gebaseerd op de werkzaamheid van één man: Herman Boerhaave (1668-1738). Ook Van Swieten raakte diep onder de indruk van deze hoogleraar en sloeg na zijn eigen promotie tot doctor medicinae geen van Boerhaaves colleges over. Boerhaave gold als Europa's meest invloedrijke didacticus en was een propagandist van een empirische houding ten aanzien van ziektegevallen. Dat was een aanpak die nogal verschilde van de weinig praktijkgerichte wijze waarop zijn collega's te werk gingen.

De veelbelovende Van Swieten knoopte Boerhaaves lessen goed in zijn oren. Hij zou niet alleen in de geest van zijn leermeester handelen, maar ook een gezaghebbende uitgave verzorgen van diens leerspreuken, aangevuld met zijn eigen bevindingen. Van een glanzende academische loopbaan in Nederland kwam het echter niet omdat Van Swieten katholiek was. Dit betekende in de vroegmoderne Republiek, dat de gelovige binnen de beslotenheid van de religieuze gemeenschap rustig zijn of haar gang kon gaan, maar dat de benoeming in een openbaar ambt was uitgesloten. Van Swieten speelde weliswaar een vooraanstaande rol in de Leidse katholieke gemeenschap (onder anderen als arts), toch zou hij nooit hoogleraar kunnen worden. Maar zijn religieuze achtergrond bleek in 1743 een zegen toen de Oostenrijkste koningin en aartshertogin Maria Theresia een lijfarts zocht. Die moest aan twee voorwaarden voldoen: hij diende uit de school van de grote Boerhaave te stammen en hij moest katholiek zijn. Er waren nauwelijks kandidaten die aan dit profiel voldeden. Na enig wikken en wegen besloot Van Swieten de uitnodiging te aanvaarden, en in 1745 kwam hij met vrouw en kinderen aan in het verre, en in zekere zin vijandige Wenen.

Wat voor Van Swieten de doorslag had gegeven, was het onvoorwaardelijk vertrouwen dat de vorstin in hem stelde. Maria Theresia zou haar medicus overladen met eerbewijzen. Allereerst schijnt ze de wat onwennige Nederlander persoonlijk te hebben voorzien van een pruik en manchetten, en zou ze hem bij een van de onontkoombare hofbals hebben laten ontvoeren door zes gemaskerde jongedames.

Belangrijker was, dat Van Swieten zich Freiherr, oftewel baron mocht noemen, en talrijke officiële functies kreeg toebedeeld. Hij vatte die geenszins op als sinecures. De zeer belezen Van Swieten was niet alleen de baas van de hofbibliotheek, hij zou ook als censor mede bepalen welke boeken de onderdanen van hare keizerlijke en koninklijke hoogheid wel, en welke niet mochten lezen.

Van der Korst laat zien, hoe Van Swieten moest laveren tussen aarts-conservatieve krachten, en meer verlichte geesten. Toen een werkje van Voltaire werd verboden, reageerde de Fransman met een woedende uithaal naar deze `tiran van mijn gedachten'.

Een dokter van formaat bestaat voor een belangrijk deel uit institutionele geschiedenis, en gaat uitvoerig in op wat algemeen wordt beschouwd als Van Swietens belangrijkste verdienste: de reorganisatie van het medisch onderwijs. Vergeleken met de bloeiende Leidse medische faculteit, was haar Weense zusterinstelling een treurige bende. Studenten waren er nauwelijks, promoties vonden maar eens in de zes jaar plaats en de faculteit als zodanig was eerder een belangenvereniging voor de hoofdstedelijke medische stand, dan een eigentijdse instelling voor onderwijs en onderzoek.

Van Swieten, die in Leiden niet alleen aan de voeten van Boerhaave had gezeten, maar ook zelf als privaatdocent de nodige ervaring had opgedaan, ging direct na aankomst in Wenen openbare lessen geven. Dat initiatief spoorde wonderwel met het verlangen van Maria Theresia om het geneeskundig onderwijs te moderniseren.

In 1749 stelde Van Swieten een memorandum op, dat er op neerkwam dat de verantwoordelijkheid voor de opleiding van de gehele medische stand niet meer lag bij de universiteit, maar bij Hare Majesteit. Voortaan zou dus een door de vorstin aangewezen persoon moeten bepalen wie als hoogleraar zou worden benoemd, welke stof er zou worden gedoceerd, hoe er zou worden geëxamineerd en hoe er toezicht zou worden gehouden op het functioneren van artsen, vroedvrouwen en apothekers.

Maria Theresia begreep de implicaties van deze verkapte sollicitatiebrief. De medisch faculteit werd, in de woorden van Van der Korst, `gereduceerd tot een vrijwillige vereniging van alumni, die uiteindelijk haar belangrijkste taak zou gaan vinden in het onderhouden van een eigen weduwen- en wezenfonds'. Wat nu ontstond, onder de bezielende leiding van Van Swieten, was een staatsschool voor geneeskunde, die nagenoeg onafhankelijk van de bestaande academische structuur opereerde. Zonder slag of stoot ging dit natuurlijk niet, maar geruggesteund door de vorstin wist Van Swieten in hoog tempo het onderwijs te moderniseren. Al snel werd hij benoemd als opperste geneesheer van het gehele Habsburgse rijk. Voor de bemanning van cruciale posten deed Van Swieten onder meer een beroep op een andere Nederlandse katholieke arts, Antonius de Haen. En daarnaast kon hij in toenemende mate mensen rekruteren uit zijn eigen kweekvijver.

Meer aandacht voor de ervaring, meer klinisch onderzoek door de artsen en een open oog voor nieuwe therapeutische mogelijkheden: dat waren de sleutelwoorden voor wat later de `Eerste Weense Medische School' is gaan heten. Vanuit hedendaags medisch standpunt beschouwd, is het vrij makkelijk om lacherig te doen over de effectiviteit van deze aanpak.

Van der Korst loopt gelukkig niet in de val van het anachronisme, en besteedt vele pagina's aan destijds actuele kwesties zoals de zogenaamde `variolatie', een vroege vorm van inenting tegen de pokken. Eens te meer bleek hier Van Swietens voorzichtigheid: in plaats van een `conservatief' standpunt tegen, of een `verlicht' standpunt voor in te nemen, volgde hij met grote belangstelling proefnemingen met cadetten en weeskindertjes. De kwestie was acuut omdat enkele Habsburgse troonopvolgers aan pokken waren overleden. Van Swietens voorzichtigheid in deze zaak botste met het optimistische vooruitgangsgeloof van Maria Theresia's zoon Josef II. Maar de vorstin zelf behield alle vertrouwen in haar lijfarts, die, overladen met eerbewijzen, in 1772 overleed. Verlicht of niet, een wonderlijke carrière was het zeker voor een eenvoudige katholieke jongen uit de Lage Landen.

J.K. van der Korst: Een dokter van formaat. Gerard van Swieten, lijfarts van keizerin Maria Theresia. Bert Bakker, 356 blz. €22,50

    • Eric Jorink