Duel met het landschap

Om zich te onderscheiden van de West-Europese collega's zocht een idealistisch schilderscollectief in de 19e eeuw de kwintessens van het Russische landschap.

Haal een Rus naar de stad en hij voegt zich in de file naar zijn datsja. Snijd hem af van het platteland, en hij krijgt het al gauw te kwaad. Deze ervaringsfeiten hebben psychologen in Rusland ertoe gebracht om hun tuchthuizen en strafkolonies uit te rusten met een wegdroomkamer (naast de gebruikelijke isoleercel). De wegdroomkamer ruikt naar taxiparfum en is voorzien van een leunstoel die uitkijkt op een muur met fotobehang. Het behang kan ook een wandschildering zijn; er staat altijd een bos of een veld of een beekje op afgebeeld.

Het is zes jaar geleden dat ik in Siberië voor het eerst zo'n raamloos en schemerig vertrek betrad – behorend bij `Gevangenis nummer 1' in de stad Krasnojarsk. Om te bedaren werd de opstandige veroordeelde voor een panorama geplaatst van Karelische berken op de oever van een meertje. Hielp deze dosis Russisch landschap niet, dan kwamen witgejaste broeders hem alsnog `medicinaal kalmeren'.

Afgelopen herfst had ik een paar keer het gevoel opnieuw zo'n Russische wegdroomkamer te betreden. Allereerst bij aankomst in het dom otdycha (letterlijk: rusthuis) van het stadje Pljos aan de Volga. Er hingen vitrages voor de ramen en in de lobby schemerde het; op de tegelvloer stond een leunstoel met uitzicht op, jawel, een wandvullende schildering van berkenstammen.

Dat het kleine Pljos (2.500 inwoners, tien uur rijden noordoost van Moskou) een betonnen rusthuis van zeven verdiepingen telt, is geen toeval maar een kwestie van planning. Pljos is bij vergissing aan de sloop- en industrialisatiedrift van Stalin ontsnapt, waardoor het als een fossiel van het pastorale, negentiende-eeuwse Rusland bewaard is gebleven – compleet met een badhuis waaruit wolkjes damp ontsnappen. Later is het stadje door planeconomen apart gezet voor het vervullen van patriottische functies. Pljos en zijn kuurhotel staan op een van de laatste stukken ongeschonden Volga-oever; de rest van de rivier is door een cascade van waterkrachtcentrales in langwerpige stuwmeren veranderd.

Eind september betrok ik er een morsige kamer (`lux') met uitzicht op een enkele duw- en draagvleugelboot. Dat was zo gepland door het Groninger Museum, dat mij samen met een handvol landgenoten kennis wilde laten maken met Russische landschapsschilderkunst én de bijbehorende landschappen; bij wijze van `voorbezichtiging' van de tentoonstelling `Het Russische landschap'. Het Museum en zijn mecenas de Gasunie speculeren op een herhaling van het Ilja Repin-effect van twee jaar terug (een kwart miljoen bezoekers) - ditmaal door een dozijn tijdgenoten van Repin uit de obscuriteit te halen.

Wat wij hier zochten waren de vergezichten waarvan de schilder Isaak Levitan (1860-1900) meer dan een eeuw geleden het oer-Russische karakter had vastgelegd. En waarin zich misschien wel de Russische volksaard openbaarde.

Wat was daarvan aan? Wat was daarvan over?

Als de afgewezen minnaar van de zuster van Anton Tsjechov had Isaak Levitan troost gezocht in het natuurschoon van Pljos. Hij schilderde veel `regenstudies', en slechts af en toe het licht en de bloesem. Een van zijn minst sombere werken is Berkenbosje, dat tot de vaste verzameling van de Tretjakov-galerij in Moskou behoort. Russen koesteren het als een icoon van hun monotone, geliefde habitat.

In de lobby van het rusthuis van Pljos is Levitans Berkenbosje wandvullend en wanstaltig nageschilderd – als een welkomstgroet tot het kuren-onder-begeleiding.

Dwergdennen

In Rusland is erg veel natuur, maar vooral veel van hetzelfde: toendra langs de poolcirkel en tajga (naaldwoud) op de lagere breedtegraden. Er zijn ook veel dwergdennen die de sneeuw niet kunnen tillen en acht maanden per jaar met neerhangende armpjes aan de grond zitten vastgevroren. De aanblik van het landschap wordt pas spectaculair aan de uiterste randen – in de spelonken van de Kaukasus en tussen de vulkanen op het schiereiland Kamtsjatka in de Stille Oceaan – maar daar houdt Rusland juist weer op. Wat daartussen ligt is eigenlijk alleen indrukwekkend wegens de schaal, vermenigvuldigd met de eentonigheid.

Hoe die ruimte te onderwerpen en bijeen te houden? Russische machthebbers, of zij nu grootvorst, secretaris-generaal van de CPSU of president waren, hebben de oplossing altijd mede gezocht in de gedwongen spreiding van (lastige) onderdanen. Muitende officieren, schrijvers als Poesjkin en Lermontov, bedelaars en oplichters – zij allen kregen te maken met het fenomeen `interne verbanning' lang voordat Stalin complete volken (Volga-Duitsers, Krim-Tartaren, Tsjetsjenen) bijeendreef en in veewagons naar de Kazachse steppe sleepte.

Ook Isaak Levitan werd in 1879 als armlastige weesjongen van 18 jaar door de ordediensten van de tsaar uit Moskou gezet. Hij trok een paar honderd werst naar het oosten en plaatste zijn schildersezel in de berm van `De Vladimirka', de weg waarlangs de bannelingen rammelend met hun ketens naar Siberië werden afgemarcheerd. Op Levitans doek is de Vladimirka-weg verlaten; het modderspoor verliest zich na een paar glooiingen in het teveel aan landschap en dat is het dan: de denkbeeldige stoet van gevangenen is ginds bij de grauwe wolkenmassa achter de horizon opgelost en zal niet terugkeren.

Net als Ilja Repin behoorde Levitan tot het kunstenaarscollectief dat bekend stond als de peredvizjniki, `de trekkers'. Deze groep, die zonder pamfletten of program het half-onderhorige volk wilde verheffen, had zich in 1863 ontworsteld aan het artistieke keurslijf van de Keizerlijke Kunstacademie en trok met reizende tentoonstellingen door het land. De landschapsschilders onder hen zetten zich ertoe om het eigene van het Russische landschap te doorgronden en uit te diepen. Ivan Sjisjkin (1832-1898) gaf de naaldwouden een slavisch-spiritueel accent door ze met akelige precisie voor te stellen als een soort `kathedralen van de natuur'. En Isaak Levitan zou, althans in de woorden van de schrijver Konstantin Paustovski, `de weidsheid van het regendoordrenkte Rusland met een ongeëvenaarde melancholie' te lijf zijn gegaan. Maar waarin schuilt die eigenheid van het Russische landschap?

,,Landschappen stemmen altijd droef waar de bewoners droevige levens leiden'', schrijft Paustovski in een essay uit 1950 over Levitan. Treurnis en kou zijn volgens hem onvervreemdbare elementen van het Russische platteland. Daarvan te houden, wat alle Russen met enorme intensiteit zouden doen, dát is pas vaderlandsliefde. Paustovski is ervan overtuigd dat geen Rus bereid is om `zijn bescheiden landschap in te ruilen voor de exotische aangezichten van de tropen'.

,,Wij Russen'', vervolgt hij, ,,zijn voor ons talent, voor onze moraal en scheppende vermogens schatplichtig aan het Russische landschap.'' Poesjkin zou zonder dat landschap niet `het genie zijn geweest dat hij was', en niet alleen Poesjkin. Terwijl Paustovski op dreef raakt, steekt er een chauvinistisch draakje de kop op dat ook al sluimerend aanwezig was bij sommige van de peredvizjniki. Hun zoektocht naar de kwintessens van het Russische landschap kwam voort uit de drang om zich te onderscheiden van de tot dan toe toonaangevende West-Europese schilderkunst. De groep zette zich af tegen de Italianisanten, de Italië-gangers die tot vervelens toe met een `Zicht op de baai van Napels' thuiskwamen, of erger: de dorpen bij Moskou in een Toscaanse sfeer dompelden. Het Russische platteland oogde nou eenmaal niet lieflijk of weelderig, dus waarom zou je er aan toevoegen wat er niet was? De natuur in Rusland was tenminste zuiver. Onopgesmukt, en vanuit het gezichtspunt van de peredvizjniki in elk geval: nasje (`van ons'). Hun slavofiele, naar binnen gekeerde manier van kijken bezorgde Rusland een eigen landschapsschilderkunst, maar vertaalde zich opmerkelijk genoeg niet in een revolutionair nieuwe manier van schilderen. Alleen Archip Kuïndzji (1842-1910) maakte school met zijn eigenzinnige stijl. Zíjn berkenstammen laten zich met geen andere vergelijken; ze staan te pronken als deelneemsters aan een Miss-verkiezing. Maar Kuïndzji was dan ook een buitenstaander (hij had zijn wortels in Griekenland).

Rivaal

Levitan heeft geduelleerd met het Russische landschap – zonder er ooit buiten te kunnen. Zijn reusachtige rivaal bood hem telkens ook een toevluchtsoord, weg van de Ochrana (de geheime politie van de tsaar), de dwingelandij van de norm, zijn onbereikbare geliefde. Een van Levitans doeken heet niet voor niets Stille wijkplaats. Het is een titel die verwijst naar een terugkerend element in de verhouding van generaties Russen met hun landschap: de wetenschap dat er genoeg van is om je zonodig een tijdje onvindbaar te houden. Wie niet verbannen wil worden, kan zich proberen te verbergen. Oud-gelovigen, mennonieten, dissidenten – ze hebben zich met wisselend succes schuilgehouden op het platteland. Ook Paustovski verstopte zich op het hoogtepunt van Stalins terreurgolf, in 1938, acht maanden in de bossen van Mesjora.

Voor kunstenaars als Paustovski en de door hem bewonderde Levitan heeft de natuur nog een derde, voor de Russische geschiedenis karakteristieke eigenschap. Zij is zelf, als onderwerp, een veilig gebied om je toevlucht toe te nemen. Want zolang je niet uitgerekend de Vladimirka schildert, lijkt het landschap apolitiek. Een roggeveld met goudgelokte halmen die staan te heupwiegen op de wind zal door geen censor als opruiend worden aangemerkt. Bijgevolg zijn de landschapsschilders in Rusland altijd met rust gelaten en konden in de benauwde Brezjnev-tijd de `dorpsschrijvers' – Sovjet-romanciers die zich in de Siberische wildernis hadden teruggetrokken – ongestoord de lof zingen op het landleven en de ongerepte natuur. (Dat daarin aanklachten waren vervat tegen de ongebreidelde stuwdammenbouw van de Sovjet-macht was iets wat de partijleiding pas doorzag toen de ecologische geest al uit de fles was.)

De tobber Levitan stierf jong, hij werd veertig. Zijn laatste grote doek (Het meer. Roes) moest de weidsheid en spiritualiteit vatten waar Rusland in zijn ogen voor stond – maar het was hem niet vergund dat werk te voltooien.

Op de namiddagse groepsexcursie vanuit het rusthuis van Pljos bezichtigen wij het berkenbosje waarop Levitan zijn beroemde Berkenbosje heeft geïnspireerd. De aanplant ligt in de luwte van de antieke vestingwallen boven een bocht in de rivier en moet zich de afgelopen honderd jaar – met hulp van een hovenier – een paar maal hebben verjongd. Gids Olga van het plaatselijke Levitan-Huismuseum, de toewijding in eigen persoon, toont een zwart-witfoto van hoe het er hier voor de komst van de bolsjevieken uitzag: rijtjes berken naast een kerk met elegant gedraaide uientorens. Het kerkje is echter uit de reëel bestaande werkelijkheid verdwenen; gesloopt – zo weet Olga – door de enige bezbozjnik (letterlijk: goddeloze) die Pljos in de Stalintijd rijk was. De bezbozjniki opereerden als een landelijke gideonsbende die onder het aanroepen van het wetenschappelijk atheïsme kerktorens neerhaalde en iconen verbrandde. Maar in Pljos had deze beweging dus maar één aanhanger, en die is jarenlang bezig geweest met het afbreken van dat ene godshuis. (Zijn levenswerk, zo blijkt uit Olga's verslag, want aan de overige tien is hij niet toegekomen).

Het klinkt als een prachtig, boos sprookje – maar wel een dat er voor zorgt dat je niet meer onbevangen naar dat berkenbosje kunt kijken. Ook niet naar de wandvullende versie in het rusthuis, laat staan naar de ranke, zongevlekte stammetjes op Levitans origineel.

En zo gaat het steeds. De Russische natuur is in de twintigste eeuw zo planmatig ontheiligd door stootarbeiders en brigades van Goelag-gevangenen dat zij haar ongereptheid op veel plekken heeft verloren. Dat was ook de bedoeling: in een klasseloze maatschappij heette de natuur `de laatste vijand van de mens'. Het landschap van nu zit onder de littekens en oogt niet meer zo puur en onschuldig als op de doeken van Isaak Levitan.

Oogkleppen

Alleen met oogkleppen op kun je de puinhopen van de Sovjet-erfenis buiten je blikveld houden. En dan nog. Het is lastig om in de idyllische doorkijkjes iets `spiritueels' te ontdekken, laat staan de weerspiegeling van de Russische volksziel. Want al kijk je uit over de ongeschonden oevers van de Volga, in gedachten zie je onwillekeurig de Grote Geschiedenis voorbijtrekken; brandschattende pantserdivisies van Hitlers Zesde Leger, of zingende, met spaden bewapende leden van de Komsomol, die met jeugdig elan een zinloos kanaal gaan graven. Dat is tenminste wat ik óók zie – kijkend naar Rusland.

Het is de vraag of er aan die vertroebelde blik valt te ontkomen. Kunnen Russen nog in Matj Rossia (`Moedertje Rusland') die waardige vrouw zien die zij in ongeschonden toestand moet zijn geweest?

Olga in Pljos doet haar best. Dagelijks ontvangt ze schoolkinderen in haar Levitan-museum, die ze aan de hand van mooie verhalen en tien oorspronkelijke Levitans gedurende een half uurtje naar de negentiende eeuw verplaatst. En zowaar, Moskou helpt mee: er is geld voor een opknapbeurt en een dure, automatische klimaatregelaar. Om de aantrekkingskracht van Pljos te vergroten heeft het ministerie van Cultuur verderop aan de kade een gloednieuw `Museum voor Russische Landschapskunst' geopend. De eerste door de douane geconfisqueerde Levitan is niet aan de Tretjakov-galerij, geschonken maar aan het Levitan-museum in Pljos.

Toch lijken zulke gebaren niet voldoende om het museumdorp nieuw leven in te blazen zodat het opnieuw een patriottische rol kan vervullen in het postcommunistische Rusland. Want Pljos mag dan zonder al te veel kleerscheuren uit de twintigste eeuw tevoorschijn zijn gekomen, zijn bewoners zijn dat niet. Als figuranten vallen zij uit de toon: zij lópen niet door dit ansichtkaartendecor, zij zwálken. Voor troost en vergetelheid kijken zij niet naar de fonkeling van het licht op de Volga-stroom, maar naar de transparante inhoud van hun vodkafles.

Zeker, de handelaren die tapijtjes en lakdoosjes met Levitan-motieven aanbieden op de motorkap van hun Lada zijn zakelijk en nuchter, maar ook zij brengen, na het scheiden van de markt, hun roebels naar bakkerij-slijterij `Brood & Vodka' tegenover de aanlegsteiger.

In het bushokje aan de kade, noodgedwongen een eindhalte, liggen drie zwervers elkaar een petfles samogon (`eigenstook') aan te reiken. Met hun lome gebaren lijken zij het voorland uit te beelden van tienermeisjes als Anoesjka en Marina, die gearmd en giechelend de karaokebar `Bij Tatjana' binnengaan. Na twee biertjes vinden ze het genoeg.

,,Weet je, het is al tien uur geweest'', zegt Marina met haar hoofdje gekanteld. ,,Wij drinken om deze tijd cognac.''

Er komt een fles Armeense `konjak' op tafel, maar haar vriendin kijkt nog steeds beteuterd.

Ja, knikt ze, het is haar droom te emigreren.

Marina heeft de microfoon gepakt en staat aan de bar te zingen: `Zomer, jij bent een geschenk van de natuur'.

Ik ben wederom in een wegdroomlokaal. Op het karaokescherm verschijnt een palmenstrandje aan een lagune, vermoedelijk de Malediven of de Fuji-eilanden. Marina gaat helemaal op in dit berkloze tafereel.

De tentoonstelling `Het Russisch Landschap' is van 14 december t/m 18 april 2004 te zien in het Groninger Museum, Museumeiland 1, Groningen.

Inl.: 0900-8212132 of webmaster@groninger-museum.nl

Open: di-zo 10-17 uur

    • Frank Westerman