Catch all-uitgangspunten

Als de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid werkelijk een bijdrage had willen leveren aan het debat over de waarden en normen, had men een helder en bondig rapport geschreven met duidelijke aanbevelingen. Maar zoals altijd in Nederland is het een lijvig rapport geworden met vage aanbevelingen waaraan niemand zich een buil kan vallen. Regering en oppositie zullen er vast wel wat in vinden dat hun eigen opvattingen weerspiegelt en daarna kan het in de kast worden gelegd.

Het rapport doet mij onweerstaanbaar denken aan leerboeken die eindeloos proberen vast te stellen wat sociologie is. In dit rapport duurt het veertig pagina's om de beruchte sociologische hamvraag te stellen: `Zijn waarden definieerbaar?' Het antwoord is nee, en dan moeten wij nog 250 pagina's verder. Ik wil niet zeggen dat alles wat in het rapport staat triviaal is, maar veel nieuws levert het niet op. Het is natuurlijk reuze fijn om op pagina 96 te lezen dat in 1993 maar liefst 48 procent van de bevolking zich ergerde aan hondenpoep op straat en dat dit cijfer in 2003 is opgelopen naar 49 procent – echt waar – maar die kennis doet mij niet van mijn stoel vallen.

Wat je vaak ziet bij zulke rapporten is dat deftigheid en dikdoenerij moeten verhullen dat er eigenlijk niets wordt beweerd. Wanneer het rapport probeert te zeggen dat het naleven van de wet alleen geschiedt als er ook een soort alledaags fatsoensbesef bestaat, schijft men: ,,Het recht en de werking van het recht moeten derhalve aangevuld worden. Kleine deugden zijn daarvoor nodig, niet de grote, tot absolutisme neigende catch all-uitgangspunten, zoals hobbesiaans eigenbelang, het benthamiaans nutsbeginsel, eeuwige en goddelijke morele wetten of een kantiaans categorische-imperatief.''

Volgens het principe van het negatieve Sinterklaasrijm – het is niet groen en het is niet geel/ het is niet weinig en het is niet veel/ enzovoort – gaat dat nog een tijdje zo door met een opsomming van aristotelische deugden, absolute rechtvaardigheden en communitaristische opvattingen, kortom, met allerlei waarden die hier juist niet van belang zijn. Reuze interessant, maar eigenlijk wilde de schrijver alleen maar zeggen dat iemand, wiens stoep door een hond wordt ondergescheten, wel enig recht tot klagen heeft. De aanbevelingen zijn navenant. Er staat: ,,Naast repressie past een intensief preventiebeleid, dat moet voorkomen dat onaangepaste individuen worden gemarginaliseerd.'' Bedoeld wordt vermoedelijk: ,,Je moet de bedelaar op straat geen schop geven.''

Op de radio hoorde ik Kees Schuyt, een van de schrijvers van het rapport, behoedzaam rechts en links een beetje gelijk geven. Alleen voor Ayaan Hirsi Ali had hij geen goed woord over, want die was intolerant omdat zij islamitische scholen wil tegenhouden. Maar wat Hirsi Ali heeft geprobeerd, is de fundamentele kwestie van het openbaar en bijzonder onderwijs weer op de agenda te zetten, iets waarvoor Schuyt en de zijnen te bangelijk zijn geweest. Ze hebben hun professorale mond vol van het onderwijs – ,,instituties als werkplaats van waarden en normen'' – maar zwijgen over dit heikele politieke punt, ongetwijfeld omdat het niet in goede aarde zou vallen bij hun opdrachtgever Balkenende.

Toch heeft de kwestie van openbaar en bijzonder onderwijs alles te maken met waarden en normen. Wat ouders hun kinderen thuis leren moeten zij zelf weten, maar het zou een van de universele rechten van het kind moeten zijn dat het op school niet wordt lastig gevallen met ideologische of religieuze indoctrinatie. Dat is wat mij betreft een catch all-uitgangspunt. Al meer dan een eeuw wordt in Nederland dat recht van het kind vertrapt door de confessionelen, en op de islamitische scholen zal dat recht opnieuw worden vertrapt. Daarom: leve Hirsi Ali, weg met Schuyt!

    • Max Pam