Angstvallig binnen de perken blijven

Nederland is een vreedzame natie. Geweld past ons niet, zo luidt het cliché. Daar ligt het protestantse individualisme aan ten grondslag, maar ook morele zelfoverschatting, aldus vooraanstaande historici. Zijn Nederlanders eigenlijk wel zo burgerlijk en beheerst?

In 1968 kwam de politicoloog Arend Lijphart met zijn spraakmakende boek over de verzuiling in Nederland. Hij stelde zich de vraag hoe het kon dat, terwijl overal elders nationale minderheden steeds met elkaar in een bloedige strijd verwikkeld raakten, de uiterst pluriforme Nederlandse samenleving toch zo vreedzaam was. Wijze bestuurders en inschikkelijke burgers, zo antwoordde hij in grote lijnen. En daarmee sloot hij aan bij een al sinds Oldenbarnevelts tijd gangbare gemeenplaats. Die zou in 1607 geschreven hebben `dat wy van nature sachtmoedich en vreetsaem syn, totten oorloge niet geneicht'. Hoe krachtig het cliché van het ongewelddadige karakter van de Nederlandse samenleving is, bleek toen Pim Fortuyn werd vermoord. Alom klonk de afschuw dat dit nu juist in Nederland moest gebeuren. De spraakmakende gemeente was het er destijds over eens dat de laatste politieke moord in 1672, op de gebroeders De Witt, was gepleegd. Zo werd de gewelddaad van 2002 onmiddellijk opgevoerd als bewijsplaats in het betoog over het vreedzame Nederland: geweld past ons niet.

In een even clichématige reflex zijn sommige historici en andere society-watchers geneigd het omgekeerde beeld te presenteren. Zij verwijten de `concilianten' te vergeten dat de Nederlandse geschiedenis toch een respectabel aantal doden als gevolg van politiek geweld of staatsrepressie heeft opgeleverd. Naast verschillende hardhandige stedelijke conflicten in de Nederlandse Republiek, de koloniale oorlogen, en de doden in het Palingoproer van 1886 (27), de muiterij op de Zeven Provinciën in 1933 (19), en de Jordaanopstand van 1934 (7), werden in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog ongeveer 250.000 mensen gedood, van wie 104.000 joden – althans voor een deel met medeweten en medewerking van Nederlanders.

Beroerten

Het naast elkaar bestaan van deze twee beelden zou je de `paradox van Blom' kunnen noemen. J.C.H. Blom, directeur van het NIOD, die vanwege zijn zestigste verjaardag onlangs gefêteerd werd met de bundel Met alle geweld, betoogt en belichaamt de gedachte dat Nederland voor alles burgerlijk en beheerst is. Tegelijkertijd heeft hij zich in zijn werk nog het meest beziggehouden met de allergewelddadigste aspecten van de Nederlandse geschiedenis: een dissertatie over de Zeven Provinciën, het rapport over Nederlandse SS'er Pieter Menten en de naoorlogse zuivering, de artikelen over de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog en de jodenvervolging, en het Srebrenica-rapport. Hoe moet je dit interpreteren? Is Blom het prototype van de Nederlandse burger, die beleefdheid koppelt aan grote gevoeligheid voor onbeschaafdheid en daarom gefixeerd is op gewelddaden die per saldo niet zo veel gewicht in de schaal leggen? Of is hij een cultuurcriticus in burgermanskleren, die de Nederlanders de onaangename waarheid over een onverteerbaar verleden voorhoudt? Hoe gewelddadig is Nederland nu eigenlijk?

Verschillende bijdragen in deze bundel maken duidelijk dat het er in Nederland zeker niet altijd even beheerst aan toe ging. Zo constateert de Amsterdamse hoogleraar Niek van Sas dat een lange traditie van `beroerten' tot het begin van de negentiende eeuw bijdroeg aan het beeld van `het beroerd Nederland'. Ook halverwege die eeuw werden de messen nog af en toe geslepen, zoals Van Sas' Amsterdamse collega Piet de Rooy laat zien aan de hand van de antipapistische agitatie rond de Aprilbeweging van 1853. De aard van maatschappelijke tegenstellingen veranderde wel in de loop van de tijd, maar ze werden er niet minder scherp op. Religieuze tegenstellingen vervaagden, maar in plaats daarvan nam politiek-ideologische scherpslijperij tegenover communisten met name tussen 1950 en 1970 een prominente rol in, zoals de Herman de Liagre Böhl en Jolande Withuis beiden laten zien.

Dergelijke botsingen konden hoog oplopen, maar fysiek geweld kwam er zelden aan te pas, laat staan door de staat uitgevoerde moord. Het belangrijkste voorbeeld van gewelddadigheid vormt toch het straatgeweld van de WA en de vervolging van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. NIOD-medewerker en hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam Peter Romijn toont aan dat de NSB in zijn verheerlijking van geweld niet veel verschilde van zijn fascistische zusterpartijen in Duitsland en Italië. Johannes Houwink ten Cate, hoogleraar Holocaust- en genocidestudies, openbaart een deel van zijn rapport uit 1994 over de SS'er Zündler, die als bewaker in de Hollandse Schouwburg zou hebben geholpen bij het laten ontsnappen van enkelen van de daar gevangen joden. Hij laat zien dat naast Duitse ook Nederlandse bewakers zich schuldig maakten aan gewelddaden.

De vraag blijft daarom toch staan, waarom in Nederland het bijtijds zeer agressieve antipapisme, anticommunisme en, zoals hoogleraar in de geschiedenis van joden in Nederland Evelien Gans beschrijft, ook het antisemitisme, in de meeste gevallen geen gewelddadige vorm aannam. Daarvoor worden in deze bundel verschillende verklaringen geopperd. Zo wijst Niek van Sas op het belang van historische leerprocessen. De beroerten in de Bataafse en Franse tijd zouden bij de burgers en overheden na 1813 een grote aversie tegen geweld hebben aangekweekt. Maar het lijkt erop dat die afkeer toch vooral gevoed werd door het revolutionair geweld elders. In Van Sas' bijdrage blijkt althans weinig van geweld binnen de landsgrenzen. Piet de Rooy noemt het protestantse individualisme als verklaring voor het uitblijven van de gewelddadige ontaarding van het antipapisme, die wel in Noord-Ierland optrad. Nederlandse protestanten beschouwden zichzelf als zelfdenkende en daardoor ook gematigde mensen. Maar waarom deden de Noord-Ierse protestanten dat dan niet?

In deze bundel keren nog andere vertrouwde Nederlandse deugden terug. Zo stelt Hein Klemann, auteur van een zeer goed ontvangen economische geschiedenis van Nederland tussen 1938 en 1948, dat de Nederlandse boeren en middenstanders in de Tweede Wereldoorlog tot aan de Hongerwinter niet op grote schaal misbruik maakten van de schaarste aan levensmiddelen door woekerprijzen te bedingen. De verklaring is volgens hem vooral het gezag van de hoge ambtenaar S.L Louwes, die door zijn boerenafkomst en wijze optreden groot vertrouwen wist te wekken. De Utrechtse emeritus Hermann von der Dunk, ten slotte, verwijst in navolging van Joris J.C. Voorhoeve, liberaal auteur van een handboek over Nederlandse buitenlandse politiek, naar het maritiem-commerciële en legalistische reactiepatroon. Daardoor zouden Nederlanders geneigd zijn altijd de weg van de minste weerstand te kiezen en zodoende botsingen vermijden.

Morele dimensies

Erg bevredigend is dit allemaal niet. De lezer raakt zo weer in de nationale mythologie verwikkeld, waarin de ongewelddadige Nederlandse geschiedenis op tautologische wijze wordt verklaard door de Nederlandse ongewelddadigheid. Dat is om te beginnen een erg moraliserende verklaring. Daarmee wordt de indruk gewekt dat de goede of slechte afloop van de geschiedenis te herleiden valt tot goede of minder goede wil, waarbij Nederland dan door allerlei gelukkige factoren meer van het goede heeft. De Amsterdamse emeritus hoogleraar Maarten Brands noemt dit een typisch teken van Nederlandse morele zelfoverschatting, het gevolg van het ontbreken van ontnuchterende breuken in de Nederlandse geschiedenis, van een onvermogen om vanuit de bescheiden internationale positie met machtsverhoudingen om te gaan, en van de moeizame omgang met goed en fout in onze geschiedschrijving van de oorlog. Vervolgens neemt Brands' betoog een opvallende wending door tegelijk Bloms doorbreking van dat schema in zijn oratie van 1982, In de ban van goed en fout?, als een ontoelaatbare ontkenning van de morele dimensie van historische vragen af te wijzen. Ondertussen blijft ook Brands in morele categorieën redeneren die veel van de beschouwingen over de Nederlandse natie zo, tsja, hoe moet je het noemen: Nederlands maken.

Wellicht dat daar toch het meest onbevredigende zit: het overheersende neerlandocentrisme in veel van de beschouwingen over het al of niet gewelddadige karakter van de Nederlandse geschiedenis. In een scherpe analyse van de Nederlandse historiografie van de jodenvervolging laat de Twentse historicus Guus Meershoek zien, dat die de aansluiting met de internationale discussie heeft gemist. Daardoor wordt niet alleen het zicht benomen op internationale factoren, zoals de rol van Berlijnse besluitvorming in het Duitse beleid in Nederland, maar ook op de internationale vergelijking.

Wil je iets zinnigs zeggen over het al of niet gewelddadige karakter van de Nederlandse samenleving en de verklaring daarvoor, dan zal je toch een vergelijking moeten maken met andere landen. Die internationale vergelijking ontbreekt jammer genoeg ook in deze bundel, met uitzondering van De Rooy, die Noord-Ierland als contrapunt opvoert in zijn betoog. Wellicht dat de vergelijking inderdaad met de overzijde van de Noordzee gezocht moet worden, maar dan misschien eerder met het Verenigd Koninkrijk als geheel. Nederland lijkt niet alleen de insulaire zelfgenoegzaamheid van `this blessed plot' te delen, maar ook de sterke positie van religieuze minderheden, een lange traditie van democratische participatie, en een gedecentraliseerde staat. Met andere woorden: zo Nederland al minder gewelddadig is dan andere landen (wat in vergelijking met Groot-Brittannië nog maar te bezien is), dan heeft dat wellicht meer te maken met een bepaald type religie, politiek en staat, dan met een oud-Nederlandse zachtmoedigheid.

Evelien Gans e.a. (red.): Met alle geweld. Botsingen en tegenstellingen in burgerlijk Nederland. Balans, 382 blz. €30,-

    • Ido de Haan