Kokkelvisserij op wadden mag blijven

De kokkelvisserij in de Waddenzee hoeft niet te verdwijnen, maar moet wel duurzamer worden, om onomkeerbare schade aan de natuur te voorkomen. Dat schrijft minister Veerman (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan de Tweede Kamer.

Veerman trekt conclusies uit een groot, onafhankelijk onderzoek naar de effecten van schelpdiervisserij op de Nederlandse kustwateren. Volgens de bewindsman toont de evaluatie ,,niet zonder meer aan' dat de visserij op kokkels moet verdwijnen, hoewel de onderzoekers vaststellen dat deze ,,voor een kleiner deel' verantwoordelijk is voor de afname van de vogelstand in de Waddenzee.

Het onderzoek, dat enkele jaren heeft geduurd, is verricht door Wageningen Universiteit, het Rijksinstituut voor Kust en Zee en het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling.

Het aantal scholeksters in de Waddenzee is gedaald van 200.000 in de jaren tachtig tot 170.000 nu, en in de Oosterschelde van 64.000 tot 35.000 nu. ,,Als gevolg van kokkelvisserij was de draagkracht voor scholeksters in de Waddenzee de afgelopen jaren naar schatting 15.000 dieren lager', aldus het onderzoek. Het aantal eidereenden op de wadden daalde in deze periode van 130.000 naar 100.000 nu. Deze dalingen worden toegeschreven aan schaarser wordende schelpdieren die door de vogels worden gegeten.

Een ,,belangrijke oorzaak' van de teruggang van de vogelstand is het verdwijnen van de mosselbanken rond 1990 en ook de afnemende hoeveelheden voedingsstoffen, ,,waardoor de biologische draagkracht van het waddengebied is verminderd'. Het water is minder voedselijk geworden doordat er minder fosfaat en nitraat uit rivieren in terecht is gekomen. Ook spelen klimaatverandering, toename van de Japanse oester die andere schelpdieren wegdrukt en, voor de Oosterschelde, de invloed van de stormvloedkering een rol.

Om te voorkomen dat het aantal vogels dat schelpdieren eet, zou dalen door de schelpdiervisserij, is sinds 1993 een zogenoemd voedselreserveringsbeleid van kracht. Dat betekent dat de schelpdiervisserij voldoende schelpdieren moet overlaten voor de vogels. Uit het onderzoek komt naar voren dat de hoeveelheid voedsel die voor vogels gereserveerd moet worden, drie keer zo groot zou moeten zijn als wat de vogels opeten, omdat de vogels in de praktijk slechts een derde van het beschikbare eten vinden. Tot op heden werd alleen rekening gehouden met wat de vogels biologisch nodig hadden. Minister Veerman wil met deze andere benadering van de voedselreserving ,,rekening houden'. Ook de conclusie dat mechanische kokkelvisserij op korte termijn leidt tot een slibarmere wadbodem, maar dat de effecten op langere termijn onzeker zijn ,,zal een rol spelen bij de formulering van nieuw beleid', zo schrijft hij de Tweede Kamer.

Nu al zijn verschillende gebieden in de Waddenzee voor de schelpdiervissers gesloten, zoals mosselbanken op droogvallende platen. De oppervlakte van deze mosselbanken is zich aan het herstellen. Veerman acht het ,,niet ondenkbaar' dat voor verschillende gebieden ,,specifiek beleid wordt ontwikkeld'. Hij overweegt daarbij ,,actief ingrijpen'.

Natuurorganisaties zien in het rapport aanleiding een verbod te eisen op de mechanische kokkelvisserij.

Gerectificeerd

Scholeksters

In het artikel Kokkelvisserij op wadden mag blijven (11 december, pagina 3) staat dat het aantal scholeksters in de Waddenzee is gedaald van 200.000 in de jaren tachtig naar 170.000 nu. Dat eerste getal moet zijn 260.000.