God hoort thuis in Europese grondwet

Een verwijzing naar God in de aanstaande grondwet van de Europese Unie is niet alleen constitutioneel toelaatbaar, maar ook politiek geboden, vindt Joseph Weiler.

In progressief-liberale kringen is de eis dat de preambule bij de Grondwet van de Europese Unie een verwijzing naar God en/of de `christelijke wortels' van Europa zou dienen te bevatten, met misprijzen en zelfs minachting begroet. Gezegd wordt dat zo'n verwijzing zou botsen met de gemeenschappelijke Europese grondwettelijke traditie van staatsneutraliteit in godsdienstige aangelegenheden. Ook zou het indruisen tegen het Europese politieke streven naar een tolerante, multiculturele samenleving. Maar het tegendeel is waar: een verwijzing naar God is niet alleen constitutioneel toelaatbaar maar ook politiek geboden.

Krachtens het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens zijn alle leden van de EU constitutioneel gebonden aan het beginsel van de `agnostische of onpartijdige staat', dat vrijheid van godsdienst maar ook vrijwaring van godsdienst garandeert. In heel Europa heerst een opmerkelijke mate van homogeniteit – ook al balanceren de EU-lidstaten in kwesties als hoofddoekjes op scholen of kruisbeelden soms verschillend op de gevoelige lijn tussen vrijheid van godsdienst en vrijwaring van godsdienst. Maar inzake constitutionele symboliek en iconografie is Europa opvallend heterogeen. Het ene uiterste is een land als Frankrijk, waar de grondwet de staat als seculier (laïque) omschrijft. Het andere uiterste zijn landen als Denemarken en Groot-Brittannië, waar een gevestigde staatsgodsdienst bestaat.

In Groot-Brittannië is de vorst niet alleen het staatshoofd maar ook het hoofd van de kerk. Ergens hiertussen in bevinden zich landen als Duitsland, waar de grondwettelijke preambule expliciet naar God verwijst, of Ierland, waar de preambule verwijst naar de Heilige Drie-eenheid.

Ongeveer de helft van de EU-bevolking woont in landen waarvan de grondwet expliciet naar God en/of het christendom verwijst. Het opmerkelijke aan Europa is, dat zélfs in zulke landen het beginsel van vrijheid van godsdienst en vrijwaring van godsdienst volledig wordt geëerbiedigd. Niemand kan aannemelijk maken dat bijvoorbeeld Denemarken minder hecht aan de liberale democratie of minder tolerant is dan bijvoorbeeld Frankrijk of Italië, ondanks het feit dat Denemarken een officiële staatskerk erkent en Frankrijk en Italië verklaard seculier zijn.

Op hoofdlijnen weerspiegelt de Europese grondwet de homogeniteit van de Europese constitutionele traditie. Zoals het hoort worden de begrippen vrijheid van godsdienst en vrijwaring van godsdienst ten volle erkend.

Maar in de preambule behoort de EU-grondwet juist de Europese heterogeniteit te weerspiegelen. Daaruit dient te blijken dat Europa hecht aan het edele erfgoed van de Franse Revolutie, zoals dat tot uiting komt in de Franse grondwet, maar evenzeer de symboliek te spreken van de grondwetten die een invocatio dei bevatten.

De weigering om naar God te verwijzen berust op een onjuiste stelling die secularisme met neutraliteit of onpartijdigheid verwart. De preambule heeft twee mogelijkheden: ja tegen God, nee tegen God. Waarom is weglating van een verwijzing naar God neutraler dan een vermelding van God? Zo krijgt onder het mom van neutraliteit het ene wereldbeeld, secularisme, de voorkeur boven het andere wereldbeeld, godsdienstigheid. Hoe zijn beide tradities dan te eerbiedigen?

De nieuwe Poolse grondwet geeft een elegant antwoord: die erkent beide tradities: ,,Wij, het Poolse volk – alle burgers van de Republiek, zij die in God geloven als bron van waarheid, gerechtigheid, goedheid en schoonheid, en zij die zo'n geloof niet delen maar wel de universele waarden eerbiedigen zoals ze uit andere bronnen voortkomen, hebben gelijke rechten en plichten met betrekking tot het algemeen welzijn...''

Eenzelfde oplossing zou gevonden moeten worden voor de Europese grondwet. Europa kan geen cultureel pluralisme prediken en constitutioneel imperialisme bedrijven. De politieke plicht is namelijk even groot als de constitutionele.

Europa hecht tenslotte overal ter wereld aan democratie. Maar in de Europese gedachtegang moet de democratie vreedzaam, door overreding worden verspreid, en niet gewapenderhand. Een van de grootste hindernissen voor de verspreiding van de democratie is de wijdverbreide mening dat godsdienst en democratie vijandig tegenover elkaar staan: de keuze voor democratie betekent dat God en godsdienst uit de openbaarheid worden verbannen en zuiver een privé-zaak worden.

Dat is dan ook de boodschap die de wereld krijgt van het Frans-Amerikaanse model van de constitutionele democratie. Maar is de bijzondere betrekking tussen kerk en staat ten tijde van de Franse en Amerikaanse Revolutie het model dat Europa op dit moment in de rest van de wereld wenst te verspreiden? Moet de Europese grondwet verkondigen dat God uit het publiek domein moet worden verdreven? Hoe lang moeten wij nog de gevangenen van die historische ervaring blijven?

De staat is veranderd en de kerk is nog meer veranderd. Net als op tal van andere terreinen kan Europa het goede voorbeeld geven en een alternatief bieden voor het Amerikaanse (en Franse) constitutionele separatisme. Het kan een levende illustratie vormen dat de godsdienst niet meer bang is voor de democratie en dat de democratie niet meer bang is voor de godsdienst.

Het waarachtigste pluralisme wordt belichaamd door staten die enerzijds een doeltreffende waarborg bieden voor de vrijheid van godsdienst en de vrijwaring van godsdienst, maar anderzijds onbevreesd – ook in hun grondwet – het levende geloof van tal van hun burgers erkennen. Alleen dit model heeft enige kans om maatschappijen te overtuigen die de democratie nog altijd bezien met argwaan en vijandigheid.

Joseph Weiler is verbonden aan het Global Law School Program van de New York University School of Law en auteur van het boek `Un Europa Cristiana'. ©Project Syndicate

    • Joseph Weiler