Diep onder de grond van de Pietersberg

Sinds de `Nachtwacht' in 1885 naar het nieuwe Rijksmuseum verhuisde, is het schilderij slechts twee keer van zijn plaats geweest. Vandaag is het kunstwerk tijdens een omvangrijke operatie naar de Philipsvleugel overgebracht.

,,Het is voor ons allemaal een erg emotioneel moment'', zegt woordvoerder Boris de Munnick van het Rijksmuseum. ,,Als de Nachtwacht eenmaal uit het museum weg is, dan is het licht hier uit.''

Met de verhuizing vanmorgen van het wereldberoemde schuttersstuk van Rembrandt van Rijn (1606-1669) gaf het Rijksmuseum het symbolische startschot voor zijn grootscheepse renovatie. Tot 2008 hangt de Nachtwacht in de Philipsvleugel, waar vanaf 20 december een selectie van ruim vierhonderd meesterwerken te zien is. Viereneenhalf jaar géén Nachtwacht zou voor zowel de bezoekers als de medewerkers van het Rijks ondenkbaar geweest zijn; het doek is het hart van het museum, zoals de Mona Lisa dat van het Louvre is.

Rembrandt voltooide zijn Korporaalschap van kapitein Banning Cocq in 1642. Tot 1715 bevond de zogeheten Nachtwacht, toen nog 5 bij 3,87 meter groot, zich in de Doelenzaal op de Kloveniersburgwal in Amsterdam. Voor de verplaatsing naar het toenmalige stadhuis, het paleis op de Dam, werden er repen van het doek afgesneden tot het z'n huidige formaat van 4,54 bij 3,79 m had. Vanaf 1808 hing het in het Trippenhuis, en in 1885 verhuisde het werk als bruikleen van de gemeente Amsterdam naar het nieuw geopende Rijksmuseum aan het Museumplein, waaraan in 1906 een speciale Nachtwachtuitbouw werd toegevoegd.

Sindsdien is de Nachtwacht, tot vandaag, maar twee keer van zijn plaats geweest. De eerste keer was in 1898, toen in het naburige Stedelijk Museum de eerste overzichtstentoonstelling van Rembrandt werd gehouden ter gelegenheid van de inhuldiging van koningin Wilhelmina.

In 1939 brak een roeriger tijd aan. Door de dreiging van een Duitse invasie ging de directie van het Rijksmuseum naarstig op zoek naar uitwijkmogelijkheden voor de collectie. Op 4 september van dat jaar was de angst voor een bom op het bakstenen Rijksmuseumgebouw zo groot geworden, dat de Nachtwacht op een kar naar kasteel Radboud in Medemblik werd gereden. Op 13 mei 1940 was het Duitse leger dit kasteel, waar meer stukken uit het Rijksmuseum in kisten stonden, zo dicht genaderd dat ,,het gedreun van geschut de lucht vulde'', volgens een ooggetuige. De Nachtwacht werd in zeildoeken verpakt en onder militaire bewaking verplaatst naar de, niet bomvrije, schuilkelders van de gemeente Amsterdam in Castricum, waar het doek bij de nauwe ingang moest worden opgerold. Eind 1941 ging het door naar veiliger schuilkelders in de duinen bij Zandvoort, en toen Hitler de Hollandse kust een jaar later bij zijn Atlantikwall inlijfde, belandde de Nachtwacht diep onder de grond van de Sint Pietersberg bij Maastricht.

Op 14 september 1944 was het doek `bevrijd', maar thuisbasis Amsterdam nog niet; pas op 25 juni 1945 keerde de Nachtwacht per boot terug naar het Rijksmuseum, dat het Weerzien der Meesters die zomer vierde met eententoonstelling waar 166.870 mensen op afkwamen. De (overigens geringe) oorlogsschade aan de Nachtwacht werd bij een restauratie in 1947 hersteld.

De rustige decennia die hierop volgden, werden slechts verstoord door twee vandalisten, die de Nachtwacht respectievelijk met een mes (in 1975) en met bijtend zuur (in 1990) probeerden te beschadigen. De scheuren werden hersteld, het zuur werd door een snelle suppoost met water onschadelijk gemaakt.

De operatie van vandaag was een staaltje strakke regie van het Rijksmuseum, dat met maandenlange voorbereiding, technisch onderzoek door sponsor Philips, strenge afspraken met verhuizers en politie en een `proefverhuizing' vorige maand het geringste risico heeft geprobeerd uit te bannen. Maar helemaal zonder gevaren is het verhuizen van de Nachtwacht niet. Boris de Munnick: ,,Voor dieven waren we niet bang, want je komt niet zover met een kist van 2000 kilo. Maar een lunatic kan er natuurlijk altijd zijn.''