China tegen de westerkim*)

,,Het is allemaal heel interessant wat jij schrijft over de inter-Europese en inter-Atlantische ruzies, maar dit alles wordt in de schaduw gesteld door de onweerstaanbare opkomst van China als economische en, onvermijdelijk, ook als politiek-militaire macht.' Dit zei mij onlangs een Rotterdamse emeritus havenbaron, die verder kijkt dan zijn neus lang is.

,,Hier hebben we te maken', zo ging hij verder, ,,met een land met 1,3 miljard inwoners en een economische groei van 8 procent; een land dat steeds meer in het buitenland investeert. Nu al dekken Chinese investeringen in Amerika een groot deel van het Amerikaanse begrotingstekort. Het European Container Terminal (ECT) in Rotterdam is in Chinese handen.' Enzovoort, enzovoort.

Helemaal nieuw was deze blikopener niet voor mij, maar ik had me tot dusver slechts matig geïnteresseerd in China. Het lag, in alle betekenissen van het woord, heel ver van mij. Ik wist wel dat het daar lag; ik wist van die 1,3 miljard, met een veel oudere beschaving dan de Europese; ik wist ook van de onstuimige economische ontwikkeling. Maar om de een of andere reden hadden die feiten nog geen vat gekregen op mijn denkwereld.

Wat dat betreft, ben ik een typisch product van een eurocentrische denkwereld en, meer in het bijzonder, van de tweede helft van de twintigste eeuw, toen voor de West-Europeanen alles draaide om Amerika. Het is moeilijk om je daar, na meer dan vijftig jaar, van los te maken. En misschien dacht ik ook wel: China is, in de loop van zijn eeuwenoude geschiedenis, wel vaker machtig geweest, maar die macht is zelden expansief geweest; integendeel, het land werd vaak door burgeroorlogen geteisterd. Dus: waarom zorgen gemaakt vóór de tijd?

Maar zoals dat vaak gaat; nadat iemand je op iets gewezen heeft, valt je oog plotseling op allerlei verhalen die in dezelfde richting wijzen. Laatstelijk een analyse in de Volkskrant van 6 december van haar correspondent in China, Jan van der Putten, getiteld: `China's onstuitbare opmars als wereldmogendheid'.

,,Binnenkort is China de vierde handelsmogendheid van de wereld.' Het is ,,uitgegroeid tot een economische reus, die onverbiddelijk het stagnerende Japan voorbij zal streven.' Het ,,rukt ook op in Zuid-Amerika. Brazilië, Argentinië en Chili kunnen de vraag naar grondstoffen als ijzer en soja nauwelijks aan. 's Werelds grootste graanhaven, Paraguaná in Zuid-Brazilië, gaat vanwege de export naar China zijn capaciteit verdubbelen.'

Nu neem ik Van der Puttens analyse niet altijd voor zoete koek aan sinds hij, als correspondent in Zuid-Amerika, artikelen schreef waarvan het optimisme spoedig daarna door de feiten gelogenstraft werden. Maar intussen is hij een jaartje ouder en wordt zijn analyse van China gestaafd door andere feiten, zoals de enorme Chinese investeringen in het Australische aardgas en het feit dat China nu Zuid-Korea's belangrijkste handelspartner is.

Amerika's obsessie met het terrorisme, die overigens niet een hersenspinsel is, lijkt het te verhinderen veel oog te hebben voor China's vreedzame expansie. Tijdens president Bush' recente bliksembezoek aan Indonesië sprak hij bijna uitsluitend over terrorisme, terwijl China de markten van Zuidoost-Azië aan het veroveren is.

Bondskanselier Schröder van Duitsland heeft een fijnere neus voor de mogelijkheden die China biedt. Op bezoek aldaar stelt hij de verkoop van een plutoniumfabriek en (eenzijdig!) de opheffing van het wapenembargo van de Europese Unie in het vooruitzicht. De `groene' minister Fischer, die in 1991 als milieuminister van Hessen de inbedrijfstelling van die fabriek had helpen verhinderen, noemt nu de verkoop ervan een van die ,,bittere beslissingen' die nu eenmaal genomen moeten worden.

Met de Realpolitik van de linkse regering in Berlijn heeft Nederland intussen ook al bittere ervaring opgedaan. Nu strekt zij zich tot China uit. Tja, Nederland speelt nu eenmaal in een andere divisie en tracht, als vanouds, groot te zijn waarin een klein land groot kan zijn: als leermeester in het debat over normen en waarden bijvoorbeeld. Zal het daarmee evenveel of even weinig succes hebben als toen het zichzelf tot de Jeanne d'Arc en, later, het gidsland der wereld uitriep?

Maar laten we onze neus boven de rand van de kansel steken en kijken naar de eventuele gevolgen die China's opkomst aan de westerkim kan hebben. In een rede die president Clintons minister van Financiën Larry Summers, thans president van de Harvard-universiteit, onlangs in Londen hield, schetste hij een scenario waarin (ik volg het verslag in Het Financieele Dagblad van 21 november):

[...],,over een kwarteeuw Europa, de VS, China, India en andere Aziatische landen isolationistisch tegenover elkaar staan, zoals de landen in Europa vóór de Eerste Wereldoorlog. Zo'n evenwicht zou even kunnen bestaan, maar is uiteindelijk onhoudbaar.' Let wel: Summers voorspelt dit niet, maar acht dit een mogelijkheid. (En dit scenario is nog optimistisch waar het over Europa als eenheid spreekt.)

Denkbaar is ook een ander toekomstbeeld (dat het vorige overigens niet uitsluit): ,,China zal niet in staat zijn het peil van energieverbruik dat de Verenigde Staten thans hebben, te bereiken. Er zal niet genoeg fossiele brandstof daarvoor zijn, en er is al te veel C02-vervuiling' (F.L. van Holthoon: State and Civil Society, Maastricht, 2003). Zo komt de levering van die plutoniumfabriek aan China misschien in een ander licht te staan.

Maar zien we dit alles niet te zeer door een westerse bril? Wie Peking en Sjanghai, met hun wolkenkrabbers en alomtegenwoordige reclame voor Coca Cola en Kentucky Fried Chicken, bezoekt, is inderdaad geneigd te geloven aan China's verwestering. Maar in het binnenland, zo schrijft Mark Siemons in de Frankfurter Allgemeine van 3 december, is de westerling ,,nog steeds een wezen van een andere planeet'.

Kortom, dát China's potentie zich op het wereldtoneel zal doen voelen, lijkt bijna onvermijdelijk (tenzij het inderdaad weer door interne strijd verscheurd raakt), maar, zo ja, dan zal die opkomst aan geheel eigen wetten beantwoorden en geheel eigen trekken vertonen.

*) Met postume dank aan de Leidse socioloog prof.dr. J.J.L. Duyvendak (1889-1954), auteur van o.a. het boek China tegen de westerkim (1927), waarvan een derde druk nog in 1948 verscheen.

Gerectificeerd

Erratum. Op 11 december jl. stond hier de Leidse sinoloog prof.dr. J.J.L. Duyvendak

(1889-1954) abusievelijk vermeld als `socioloog'.