Canada verbijsterd door buur

Buurland Canada noemt het besluit van Washington om ook Canadese bedrijven te weren bij de wederopbouw van Irak ,,moeilijk te bevatten'' en heeft aangegeven dat het zijn financiële bijdragen aan de wederopbouw zal heroverwegen.

,,Dit zou niet moeten gaan over wie contracten krijgt'', reageerde gisteren Paul Martin, aanstaand premier van Canada. ,,Het zou moeten gaan over wat het beste is voor de bevolking van Irak. Elk land heeft een verantwoordelijkheid om deel te nemen aan de wederopbouw. Canada heeft met zijn bijdrage aangetoond dat het bereid is mee te werken, en de voornaamste overweging zou moeten zijn hoe de wederopbouw van Irak zo spoedig mogelijk kan plaatsvinden.''

Martin wordt morgen beëdigd als premier en is opvolger van Jean Chrétien. Chrétien onthield zijn steun aan de oorlog in Irak omdat deze zonder goedkeuring van de Verenigde Naties werd gevoerd. Canada, een traditionele bondgenoot en veruit de grootste handelspartner van de VS, is wel militair actief in Afghanistan. Bovendien heeft het ongeveer 300 miljoen Canadese dollar (187 miljoen euro) bijgedragen aan de wederopbouw van Irak, zei Martin.

Eventuele verdere financiële bijdragen moeten opnieuw worden geëvalueerd, verklaarde de Canadese minister van Financiën, John Manley, een van de meest pro-Amerikaanse ministers in het kabinet van Chrétien. ,,Het zou onaanvaardbaar zijn om Canadezen uit te sluiten louter omdat ze Canadezen zijn, terwijl er wel geld wordt aangenomen van Canadese belastingbetalers voor de wederopbouw van Irak'', aldus Manley.

Het bedrijfsleven was echter nauwelijks verrast door het standpunt van Washington. Zo zag SNC-Lavalin, het grootste ingenieursbedrijf, dat betrokken is bij de bouw van infrastructurele projecten in alle delen van de wereld, de bui al hangen. ,,Canada heeft een zeker standpunt ingenomen met betrekking tot de oorlog in Irak, en het is duidelijk dat er geen rol is weggelegd voor Canadese bedrijven'', verklaarde een woordvoerder gisteren in Montréal.