Altijd gewoon aan het werk

Erg trots waren wij als Nederland niet op Cees Nooteboom. Zelf richtte hij zich meer op het buitenland. Uit zijn boeken blijkt een verbluffende belezenheid op allerlei uiteenlopende gebieden.

Eigenlijk was het ook wel een beetje raar dat hij hem nog niet gekregen had, de P.C. Hooftprijs. Cees Nooteboom, die dit jaar zeventig werd, is al jaren onze beroemdste schrijver zonder dat wij, wij Nederland, daar erg trots op weten te zijn. Vroeger werd er in Nederland meer van hem gehouden. Menige jonge lezer droomde weg bij zijn Philip en de anderen (1955) en vooral bij De ridder is gestorven (1963). Zijn reisverhalen werden gretig gelezen, zijn roman Rituelen (1980) was een succes, zowel bij critici als bij lezers. Daarna werd hij geleidelijk aan internationaal, en vooral in Duitsland, steeds bekender.

Ook hier werden zijn romans steeds goed ontvangen, maar op den duur leek het wel of Nederland jaloers was en werd zijn succes minder. Niet dat het verdween, maar de kritiek verloor haar grote waardering, alsof Nooteboom een of andere niet bijster interessante buitenlandse schrijver was. Zijn novelle Het volgende verhaal(1991) werd vrijwel in alle Nederlandse reacties afgedaan als kitsch en onzin, al dacht een enkeling daar wel anders over. In Duitsland dacht bijna iedereen er anders over.

Intussen is hij een schrijver met een groot en veelzijdig oeuvre dat zowel romans, poëzie, verhalen, reisverslagen en zelfs twee toneelstukken omvat. Marcel Reich Ranicki, de bekendste en dankzij de televisie zeer invloedrijke Duitse criticus, vond al jaren geleden dat Herr Nooteboom de Nobelprijs verdiende en inderdaad wordt zijn naam elk jaar weer bij de kanshebbers genoemd. Hij schreef de omvangrijke roman Allerzielen (1998) die in het Duits en Engels vertaald werd en waarin hij al zijn thema's – tijd, dood, herinnering, beweging, (niet) aanwezig zijn – op een royale en eigenzinnige manier nog eens hernam. Onlangs kreeg hij de Oostenrijkse Staatsprijs voor literatuur. Vonden wij heel gewoon. En al die tijd was hij nog steeds niet bekroond met onze eigen P.C. Hooftprijs.

Zou het te maken hebben met zijn stijl, die eerder naar binnen gekeerd is, mijmerend, overwegend, dan krachtig en opvallend, zoals die van schrijvers als Gerard Reve of W.F. Hermans? Spreekt Nooteboom niet luid genoeg? Luid genoeg voor menig lezer toch wel, want te klagen heeft de schrijver zeker niet, maar om een of andere reden leek hij altijd lichtelijk buiten onze literatuur te staan. Nooit onderdeel van stromingen of relletjes, nooit verwikkeld in polemiek, altijd gewoon aan het werk.

Nooteboom is zelf ook literair vooral op het buitenland gericht. Uit zijn boeken blijkt een bijna verbluffende belezenheid op allerlei uiteenlopende gebieden. Hij houdt van dichters als Wallace Stevens, Eugenio Montale, Jorge Luis Borges en W.H. Auden. Zijn poëzie moet het niet hebben van gemakkelijk aansprekende beelden of van een hevig persoonlijke toon. Ze is eerder gepolijst, als een emotieloze spiegel. Al is er natuurlijk wel degelijk emotie in aanwezig, die ligt alleen niet aan de oppervlakte.

Het feit dat Nooteboom zo'n reiziger is zegt ook iets over waar zijn belangstelling naar uit gaat, over hoe hij naar de wereld kijkt. Het betekent om te beginnen al dát hij naar de wereld kijkt, en niet in de eerste plaats naar zichzelf of naar het meest nabije. Zowel in zijn verhalen als in zijn poëzie en romans plaatst hij zich in de westerse cultuur en traditie, niet specifiek in de Nederlandse. En hij kijkt, naar kloosters in Spanje, naar het werk van Zurbarán, naar foto's, naar landschappen en mensen, naar het recente en het verre verleden. Nooteboom is in zekere zin ons oog in de wereld. En dat oog doet verslag, in alle denkbare literaire vormen.

En daarvoor heeft hij nu dus, geen dag te vroeg, de P.C. Hooftprijs gekregen.