Academische vrijheid mag niet aan banden gelegd

Studenten moeten tijdens hun opleiding doorkneed raken in het vak wetenschapsethiek teneinde later, in hun baan van onderzoeker, niet het slachtoffer te worden van ongewenste verstrengelingen, meent Michiel Korthals.

Duizend euro entree en presentaties die alleen op uitnodiging plaatsvonden. Begin vorige maand streken coryfeeën uit de voedings- en medische industrie gedurende twee dagen neer in het Amsterdamse Barbizon Hotel ter gelegenheid van een wetenschappelijk congres over de stand van zaken in de levenswetenschappen. Het conglomeraat van medische, biologische, voedings- en landbouwwetenschap met name voeding (nutrigenomics).

Deze gang van zaken weerspiegelt de toenemende negatieve invloed van het bedrijfsleven op de voedingswetenschappen die op haar beurt wordt gestimuleerd doordat de levenswetenschappen in toenemende mate maatschappelijk belangrijk worden bij de preventie van chronische ziekten en ongezonde voeding.

Sommige onderzoekers en hoogleraren op het gebied van de levenswetenschappen beschouwen deze invloed als een goede zaak, omdat zo aan de maatschappelijke opdracht van de wetenschap tegemoet gekomen zou worden. Maar de negatieve kanten van zo'n exclusieve relatie tussen levenswetenschappen en het bedrijfsleven worden steeds duidelijker. Congressen worden door hoge inschrijfkosten en de stroomlijning van de discussie onbetaalbaar en ontoegankelijk. Daardoor kan de motor van de wetenschappelijke vooruitgang, kritiek, niet meer optimaal werken.

In de huidige levenswetenschappen is het identificeren, in volgorde brengen, annoteren en interpreteren van genetisch materiaal een hoofdonderdeel van het onderzoek naar de samenhang tussen genen en hun omgeving. Gezien de kostbare apparatuur en de enorme hoeveelheid werk die hieraan verbonden is, zijn contracten tussen publieke laboratoria en private ondernemingen aan de orde van de dag. Wanneer een private financier het verzamelen van data over erfelijke afwijkingen mogelijk maakt, wordt de toegang van data bepaald door de betaler. Nature en Science publiceren regelmatig over onderzoek waarvan is vastgesteld dat onderzoekers van wie het onderzoek betaald wordt door private geldgevers, veel terughoudender zijn met openstellen van databanken en het verstrekken van gegevens. Die terughoudendheid speelt zelfs ten opzichte van hun collega's in hetzelfde onderzoeksinstituut. Wanneer patenten worden verkregen, ook indien die grotendeels door publieke gelden zijn behaald, bepalen de private belangen meestal aan wie de patenten worden verleend. De publieke wetenschappers delven het onderspit.

Onderzoekers gaan allerlei informele contacten aan met private ondernemingen; hierbij kan wetenschappelijke gedrevenheid in het spel zijn, zoals deze krant onlangs meldde in het geval van de Utrechtse medicus die experimentele apparatuur wilde testen. Wetenschappelijke gedrevenheid kan niet alleen maatschappelijk gewin maar ook persoonlijk gewin opleveren, zoals bij de ontdekking van obesitas of van osteoporose genen. De vinders van dergelijke genen hebben enorme inkomens, zij het van de patenten en van de aandelen van de bedrijven die deze patenten te gelde maken. Ook krijgen levenswetenschappers, direct of indirect in dienst van de industrie, steeds meer de taak van onafhankelijke consulenten over gezonde voeding.

Op zichzelf is daar allemaal niets op tegen. Slechte motieven lijken in de onduidelijke belangenverstrengelingen tot nu toe geen rol te spelen. Intensieve contacten van universiteiten met het bedrijfsleven zijn ook niet per definitie negatief voor de publieke zaak.

Het probleem is niet de private-publieke samenwerking, maar de ongecontroleerde belangenverstrengeling. Daardoor trekken de publieke zaak en de wetenschap aan het kortste eind. Resultaat is een systeem waarin de winstmotieven de overhand krijgen en de wetenschappelijke zoektocht daar een verre afgeleide van wordt. Een ander negatief gevolg is de verminderde aandacht voor onderwijs. Daar valt immers weinig profijt te halen.

De negatieve gevolgen van deze onduidelijke verstrengeling van private partijen en publieke wetenschap in de levenswetenschappen wordt steeds duidelijker. Over de toegang tot genetische databanken worden geen goede afspraken gemaakt. De richting van het onderzoek en de onderzoeksprioriteiten worden steeds meer in de kamers van de managers van grote industrieën bepaald en niet in publieke gremia.

Ook de academische vrijheid staat bij de levenswetenschappen op de tocht. Onlangs nog hebben bestuurders van Wageningen Universiteit openlijk een onderzoeker aan de schandpaal genageld omdat hij mogelijkerwijs opdrachtgevers kopschuw maakt.

Omdat bestuurders ook wel zien dat de samenleving onvoldoende vertrouwen heeft in de wetenschappen, worden communicatiewetenschappers ingeschakeld `om draagvlak te creëren'. Genomics, de nieuwe benadering in de levenswetenschappen die de interactie van genen met de omgeving onderzoekt, is hiervan een voorbeeld. Zo zou volgens leidende bèta-wetenschappers het op te richten Centrum voor Maatschappij en Genomics zich vooral moeten concentreren op het goed verkoopbaar maken van nieuwe genomics-producten.

Het verschil tussen private belangen en de publieke zaak wordt goed zichtbaar in het debat over de explosieve toename van obesitas in alle westerse landen. Zoals bekend hebben de voedingsindustrie en fastfoodketens geen belang bij vermindering van voedselinname: dat zou omzet- en winstdaling betekenen. Het steeds groter wordende probleem van obesitas is voor een belangrijk gedeelte aan dit winstmechanisme te wijten.

Wanneer de levenswetenschappen en hun beroepsorganisaties geen duidelijke en maatschappelijke acceptabele overeenkomsten sluiten met het bedrijfsleven, zullen burgers/consumenten hun vertrouwen verliezen in overheid en wetenschap. De bestuurders van universiteiten en andere wetenschappelijke instellingen spelen daarom met vuur wanneer zij toestaan dat de academische vrijheid aan banden wordt gelegd, hoogleraren benoemen door commissies zonder enige expertise in het desbetreffende vakgebied, congressen ontoegankelijk worden, profijtelijkheid de doorslag geeft bij de vaststelling van onderzoeksagenda's, en geen democratisch verantwoorde regels opgesteld worden over wat aanvaardbare belangenconflicten zijn en wat niet.

Levenswetenschappelijke tijdschriften zouden auteurs moeten verplichten aan te geven wie hun financier is en waar het onderzoek is uitgevoerd en bij ontoelaatbare (bijvoorbeeld aandelenbezit) belangenconflicten niet tot publicatie over gaan. Voorts zou er een nationale raad van wetenschapsethiek moeten komen die procedures vaststelt alsmede duidelijk maakt wat ontoelaatbare belangenconflicten zijn. En universiteiten dienen duidelijk te maken dat ze niet alleen onderzoek voor de industrie doen maar ook voor de samenleving.

In het onderwijs zouden de universiteiten veel meer aandacht aan wetenschapsethiek moeten besteden, zodat studenten, de aankomende onderzoekers, op een verantwoorde manier leren omgaan met private ondernemingen en met consumenten. Universiteitsbestuurders moeten de lange-termijnbelangen van onderzoek en onderwijs in het oog houden, en de onafhankelijkheid van wetenschappers garanderen in geval van druk van private opdrachtgevers. Ook dienen ze normatieve reflectie over belangenverstrengelingen te stimuleren. Aldus kan onafhankelijk, maatschappelijk relevant wetenschappelijk onderwijs en onderzoek gewaarborgd blijven.

Michiel Korthals is hoogleraar toegepaste filosofie aan de Wageningen Universiteit en auteur van `Voor het eten, filosofie en ethiek van voeding'.

    • Michiel Korthals