VS en Irak maken `muziek der vrijheid'

Amerika's National Symphony Orchestra trad gisteravond in Washington op met vijftig musici uit Bagdad, en met president Bush in de zaal. Het was culturele diplomatie. Wat aan de Tigris nog niet zo goed lukt, moest aan de Potomac wel kunnen.

Het was dringen op het podium van het Kennedy Center for the Performing Arts gisteravond. Ruim vijftig musici uit Bagdad waren aangeschoven bij bijna honderd leden van het Amerika's National Symphony Orchestra. Grote beer schikte in voor kleine beer. Met cellist Yo-Yo Ma als vredesduif.

Samen produceerden zij ,,het zoete geluid van de vrijheid''. Zo wilde minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell het in zijn welkomstwoord. Het was culturele diplomatie in de praktijk, een tikje fors, een tikje onbeholpen, maar goed van inborst. Eerst een half uur toespraken en toen ook nog muziek.

De halve top van het State Department had de musici zondagmorgen voor dag en dauw in New York ingeklaard. Na een halve dag repeteren moest de muzikale integratie een feit zijn. Muziek kent geen taal. L'Arlésienne werd door Mohammed Amin Ezzat bijna dansend gedirigeerd. Het buitenmaatse orkest baande zich een triomftocht door de partituur, als een Hummer op weg van Bagdad naar Mosul.

President en mevrouw Bush, topadviseur Condoleezza Rice, de nieuwe bijna-ambassadeur van de Iraakse regeringsraad in Washington, mevrouw Rend Rahim, een buslading andere ambassadeurs en wie verder meetelt in cultureel Washington waren komen luisteren hoe goed de twee landen samen musiceren. Wat aan de Tigris nog niet zo goed lukt, moest aan de Potomac wel kunnen.

De muziektempel van de Amerikaanse hoofdstad heet naar de meest geliefde Democratische president, maar het gebouw uit 1971 heeft met al zijn vlaggen, gedateerd-moderne kroonluchters en immense hoogten een zekere sovjet-kwaliteit. Zo was er toch iets vertrouwds voor de leden van het Iraaks Nationaal Symphonie Orkest.

Het in 1959 opgerichte orkest heeft zijn buitenlandse tournees tot nog toe beperkt tot Rusland, Jordanië, Algerije en Libanon. Verschillende musici hebben hun loopbaan elders voortgezet. Een trouwe kern is in Irak blijven spelen. Op de loonlijst van de alleenheerser, maar de vergoeding was zo minimaal dat iedereen elders aan de kost moest zien te komen.

,,Wij zijn nu vooruit gegaan van drie naar honderd dollar per maand'', vertelt Samir Yosif, bassist van het orkest, na afloop lachend. ,,Het is nog steeds zo dat niemand gaat voor het geld speelt. Voor ons is het een hobby, maar een serieuze. Wij spelen het hele westerse repertoire én traditionele volksmuziek.'' Yosif studeert lasertechnologie, anderen besturen een taxi of dubbelen ergens als portier.

Leonard Slatkin, de vaste dirigent van de Amerikanen, had nog een klassieke `Ouverture Egmont' uit het wereldorkest gekregen. In negen minuten en een beetje. Geen slechte tijd, al hoopte het publiek al na zeven minuten te mogen klappen. Toen betrad Ezzat het podium in een rok met zeer lange panden. Hij dirigeerde zijn eigen `Drie Fragmenten', een Amerikaanse première met liefde en veel zwier de aanzwellende muzikale golfbeweging gaf het werk iets van Bagdad aan de Moldau.

Voor de Iraakse musici was hun eerste tournee naar de Nieuwe Wereld een win-win-propositie. De Amerikaanse liefdadigheidsmachine had snel geld opgehaald voor nieuwe instrumenten, snaren en bladmuziek precies wat jarenlang door de internationale sancties tegen Irak onbereikbaar was gebleven. En dan het optreden in zo'n zaal. Eerste cellist Nabi Hani Abdul Salam vergat bijna te strijken, zo keek hij zijn ogen uit op twee meter afstand van maestro Yo-Yo Ma, cultureel ambassadeur van het State Department, die de Elegie opus 24 van Fauré uit zijn cello toverde.

Michael Kaiser, de ondernemende president van het Kennedy Center, had in zijn openingswoord de vergelijking getrokken met de bevrijdende rol die kunst heeft gespeeld bij het afscheid van de apartheid in Zuid-Afrika. ,,Kunst heeft de kracht te onderwijzen en te veranderen'', was de les die hij had meegenomen van zijn mentor Barney Simon, de drijvende kracht achter het Market Theatre in Johannesburg. Hij hoopte dat Amerikanen veel te weten zouden komen over Irak, de Irakezen en hun eeuwenoude cultuur.

Zes musici in crèmekleurige ruimtepakken zonder bedrading speelden op traditionele Koerdische instrumenten, een soort waterpijp met snaren, een draaibaar cymbaaltje en een reuzepizza met belletjes. Zo wordt oude cultuur samengedrukt tot volksdansen, maar het waren weer zes inreisvisa.

Powell sprak glimmend over de ,,herintreding van de Iraakse cultuur op het wereldtoneel''. Zijn ministerie had de reis betaald voor de groep. Voor Bush was het concert een welkome gelegenheid zonder kalkoen en oorlogsgruis te laten zien dat Irak een herrijzende natie is.

,,Steun de kunst, steun ons orkest, steun Irak!'', bezwoer na afloop op het spelersfeestje de ontroerde dirigent Mohammed Ezzat de laatste lokale dignitarissen. Toen hij in 2002 zijn vaderland ontvluchtte – Saddam had hem gevraagd een van zijn grote romans tot opera te verwerken – en zich in Zweden vestigde, kon hij niet vermoeden dat hij in december 2003 in Washington zou optreden. Voor president en mevrouw Bush.