Onderzoek: variatie op Nederlandse poppodia onder druk

De opheffing van het Nationaal Podium Plan zal leiden tot tot minder concerten van Nederlandse artiesten en minder variatie op de Nederlandse podia. Dit is de conclusie van een onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van het Nationaal Pop Instituut (NPI).

Het Ministerie van OCenW richtte in 2001 een fonds op waarin alle subsidieregelingen voor podiumkunsten werden samengevoegd. Het NPI protesteerde daartegen omdat in de popsector al sinds 1984 naar tevredenheid wordt gewerkt met het Nationaal Podium Plan (NPP). Via het NPP gaan de subsidies naar de poppodia die het geld naar eigen inzicht aan Nederlandse bands ten goede laten komen. Dankzij deze regeling kunnen beginnende artiesten geprogrammeerd worden en zo bekender worden. Het NPP kost 1 miljoen euro per jaar, en is de enige subsidie voor popmuziek.

Toen het ministerie het overkoepelende fonds oprichtte, kreeg het NPP na protesten respijt tot 2005. Het Nationaal Pop Instituut heeft begin dit jaar een manifest voor het behoud van het NPP opgesteld. Ook de Raad voor Cultuur adviseerde het ministerie het NPP te laten voortbestaan.

Volgens onderzoeksbureau DSP zal de opheffing van het NPP leiden tot verschraling van het aanbod en lagere gages voor de muzikanten. Volgens Jaap van Beusekom, directeur van het Nationaal Pop Instituut, is de kans klein dat de staatssecretaris en de Tweede Kamer de conclusies van het onderzoek negeren. ,,Het bestaande systeem werkt. Daar is iedereen het over eens. En dat op zich is al bijzonder.''