EU-grondwet verdient beter

Het raadplegend referendum over de Europese Grondwet zal tegelijk met de Europese verkiezingen plaatsvinden. Dat wordt een janboel, voorspelt Cees Bremmer.

Op 24 november heeft de Tweede Kamer het intitiatief-wetsontwerp van de leden Karimi, Dubbelboer en Van der Ham aangenomen over het raadplegend referendum inzake het grondwettelijk verdrag betreffende de Europese Unie. Het referendum zal gelijktijdig met de Europese verkiezingen plaatsvinden. Als de verdragstekst vóór 22 april 2004 klaar is, moet het referendum op dezelfde dag gaan plaatsvinden als de Europese verkiezingen, dus op 10 juni 2004, zo heeft de Kamer besloten. Dat is om drie redenen opmerkelijk:

1. Het wetsontwerp gaat niet uit van de datum van ondertekening van het verdrag. Het rekent vanaf het moment dat in de regerings-conferentie overeenstemming is bereikt over de verdragstekst.

De indieners schrijven hierover in de memorie van toelichting: ,,Is het verdrag nog niet ondertekend, maar is vóór 22 april 2004 in de IGC al wel overeenstemming bereikt over een verdragstekst, dan wordt het referendum gehouden over deze verdragstekst. Het zou immers jammer zijn de combinatie met de verkiezingen voor de leden van het Europees Parlement los te laten om de enkele reden dat een formele handeling - de ondertekening van het verdrag- nog niet heeft plaatsgevonden.''

De initiatiefnemers gaan voorbij aan het belang van de fase direct na het bereiken van politieke overeenstemming binnen de IGC. De normale gang van zaken bij een regeringsconferentie is dat onmiddellijk na de bereikte concensus juristen de verdragteksten nog eens grondig bestuderen op juridische onvolkomenheden, voordat het verdrag wordt ondertekend. Zij doen dat niet voor niets.

2. Een ratificatieprocedure in het Nederlandse parlement neemt al snel een jaar in beslag. Doordat de aangenomen tekst uitgaat van de datum 22 april 2004 hebben de burgers in deze benadering tot aan de Europese verkiezingen van 10 juni 2004 de facto nog geen twee maanden de tijd zich een oordeel te vormen over wat ik een tweede Nederlandse grondwet noem, terwijl het parlement zichzelf hiervoor in de praktijk veel meer tijd gunt. Ook wordt voorbij gegaan aan het feit dat het aantal Nederlandse burgers dat weet heeft van dit grondwettelijk verdrag relatief klein is en dit jaar volgens cijfers van de jongste Eurobarometer verder is afgenomen: van 42 procent in juni naar 34 procent in oktober.

3. Een raadplegend referendum is bedoeld om de wetgever(s) van raad te voorzien. Het zijn de leden van Tweede en Eerste Kamer die het grondwettelijk verdrag moeten goedkeuren. Zou het in dat licht niet van méér logica getuigen de datum van het referendum over de Europese grondwet te koppelen aan een belangrijk moment in het nationale wetgevingsproces in plaats van aan de Europese verkiezingen? Bijvoorbeeld een week of enkele weken vóór het plenaire debat of de stemming in de Tweede Kamer over de verdragstekst.

De argumentatie voor koppeling met de Europese verkiezingen is volgens de voorstanders dat een referendum het debat over Europa zal versterken. Dit zou dan de opkomst bij de Europese verkiezingen ten goede komen. Het eerste element van deze redenering kan ik op zich onderschrijven, ook al meen ik dat onze representatieve democratie het middel van een referendum overbodig maakt.

Tegelijk verwacht ik dat dit debat eerder afbreuk doet dan zal bijdragen aan een hogere opkomst. Er zullen namelijk twee campagnes door elkaar gaan lopen. Allereerst een partijpolitieke verkiezingscampagne tussen partijen die meedoen aan de verkiezingen voor het Europees Parlement. En vervolgens een overheidscampagne van het kabinet dat het grondwettelijk verdrag ondertekende. Omdat ons land een driepartijen-coalitie kent, is de kans op een communicatieve warboel extra groot. De Europese grondwet verdient beter.

Mr. drs. Cees Bremmer maakt deel uit van het Europees Parlement en is lid van de fractie van de Europese Volkspartij, alsmede lid van de commissie Constitutionele zaken.

    • Cees Bremmer