Betrokkenheid van burger moet worden hersteld

De toestand van waarden en normen in de samenleving is te ernstig om hier zo afstandelijk mee om te gaan als in het deze week gepubliceerde WRR-rapport, meent Lukas van Spengler.

In het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over waarden en normen wordt gewezen op een aantal onheilspellende ontwikkelingen: ,,Met name zijn bepaalde vormen van normoverschrijdend gedrag de afgelopen twee decennia fors toegenomen, zoals enkele vormen van geweldscriminaliteit: berovingen, bedreigingen, mishandelingen en moord- en doodslag. [...] Ook een aantal vormen van wetsovertredingen lijkt een sterke groei te vertonen. [...] Daarnaast lijkt vrij algemeen de overtuiging te heersen dat de omgangsvormen in openbare ruimten achteruitgaan: hoffelijkheid wordt zeldzamer, onbehoorlijk en onbeschaamd gedrag zijn in de opmars.''

Opmerkelijk is daarom dat de raad op verschillende plaatsen afstand neemt van de problematiek. Wie de cijfers in het WRR-rapport over waarden en normen extrapoleert, ziet namelijk een alarmerend toekomstbeeld. Bovendien zijn de factoren die de problemen oproepen, niet incidenteel maar blijvend. Als relevante factoren noemt de raad onder meer individualisering, ontzuiling, secularisatie, schaalvergroting, de afnemende betekenis van het gezin, kerken en traditionele gemeenschappen, en een overstelpend aanbod van keuzemogelijkheden. Wat de situatie extra alarmerend maakt, is dat de problemen zichzelf versterken. De raad constateert: ,,Men voelt zich vaak bedreigd en gaat daarom uit angst medeburgers op onvriendelijke wijze bejegenen''. En: ,,Er lijkt een sfeer te zijn ontstaan waarin normoverschrijdend gedrag in verschillende [...] gradaties vaak niet meer volgens vertrouwde methoden wordt gecorrigeerd''.

Kortom, hoe langer men wacht, des te groter wordt de druk om niet langer te wachten. Des te groter kunnen gevoelens van urgentie zijn, die beleid wenselijk maken. Welk beleid is denkbaar?

De raad adviseert de overheid terughoudend te zijn, tenzij sprake is van rechtshandhaving. De gewenste verandering zou vooral uit de samenleving zelf dienen voort te komen. Daarbij kan de overheid helpen door het ontwikkelen van nieuwe vormen van conflictbeheersing en van participatie, het bevorderen van aandacht voor normen en waarden in het onderwijs, en door zelf voorbeeldig gedrag te tonen.

Het zijn voor de hand liggende aanbevelingen. Maar misschien zijn toch verderstrekkende voorstellen nodig nu de urgentie zo duidelijk is vastgesteld. Dit vergt inzicht hoe waarden ontstaan.

De gebruikelijke nadruk die ook de raad legt op een gewenste `overdracht' van normen en waarden, lijkt minder realistisch. Want `kennis' kan men overdragen. Maar `waarden' zitten dieper – dan gaat het erom wat men gelooft en voelt dat `goed' is. Dat het in werkelijkheid om méér gaat dan `overdracht' wordt bevestigd door de constatering dat de meeste mensen best weten wat waarden zijn, maar dit niet in de praktijk brengen.

De term `overdracht' als aanduiding voor de manier waarop waarden ontstaan, stamt uit de tijd dat het bevoegde gezag van overheid en kerken aangaf welke waarden en gedragingen goed zijn met sociale controle en zonodig sociale dwang om de naleving te verzekeren. Maar in de moderne tijd bepaalt men dit zelf, in een proces waarin men soms na schade en schande leert en ontdekt wat `goed' is.

Essentieel is dan ook de vraag wat mensen zo ver brengt dat zij overtuigd raken van waarden en normen. Hoe komt men tot het gevoel en het geloof dat iets goed en gewenst is? Hoe komt men aansluitend tot de bereidheid om zich in te spannen en te doen wat men zegt te willen doen?

De raad ziet het verschil tussen woord en daad als een kernprobleem. Maar wat bevordert een overstap? De overstap van woord naar daad hangt af van de betrokkenheid die nodig is om waarden en normen in de praktijk te brengen. Hoe groter de vereiste inspanning is, des te groter dient ook de betrokkenheid te zijn, en des te sterker het geloof of gevoel dat mensen bereid maakt zich in te spannen. Een moderne samenleving vol verleidelijke aanbiedingen, grootschalige verbanden en anonieme anderen stelt steeds hogere eisen aan ieders betrokkenheid. Betrokkenheid maakt kwetsbaar, de automobilist die 's avonds hulp vraagt kan een crimineel zijn.

Steeds vaker lijkt het te lonen glimlachend de andere kant uit te kijken, bijvoorbeeld als politieagent, verpleegkundige, onderwijzer of elders binnen een grote organisatie. Bijna overal geldt dat mensen met betrokkenheid onvermijdelijk aan hun omgeving hogere eisen stellen, om samen een beter resultaat te bereiken, met als risico dat die omgeving dit niet waardeert.

Alleen al een doorbraak van het besef dat betrokkenheid nodig is en gewaardeerd moet worden, kan voldoende zijn om van geval tot geval de mate van betrokkenheid te vergroten. De aanbevelingen van de raad om frustraties weg te nemen, conflicten te beheersen, en participatie te bevorderen kunnen helpen, als instrumenten, in gevallen waar betrokkenheid dreigt te verminderen. Maar de kloof tussen woord en daad blijkt vrij algemeen te zijn, en niet alleen de vormen van `onprettig gedrag' te betreffen die de raad signaleert. Des te belangijker is inzicht in het ontstaan van betrokkenheid.

Herkenning van verbondenheid wordt gezien als een drijvende kracht om het vereiste geloof en gevoel op te roepen. Illustratief is het meest centrale gebod elkaar lief te hebben. De toevoeging `gelijk U zelf' dient oorspronkelijk als een aansporing om te zien dat de ander ook een mens is van vlees en bloed, met vreugde en verdriet, aldus de uitleg die de meeste theologen nu aan deze tekst geven. Deze uitleg wijkt dus af van de gebruikelijke uitleg dat het hier gaat om de hoeveelheid liefde die verschuldigd is.

Ook gevoelens van betrokkenheid om tot zorg voor het milieu te komen, vergen herkenning. `Bloem zien is bloem zijn', zegt een oosterse wijsheid. Zoals men getroffen kan worden bij het zien van een schilderij, of het horen van muziek, kunnen mensen zich verbonden te voelen met de natuur en het landschap. Zij ervaren deel te zijn van een groter geheel, en dat kan hun gedrag beïnvloeden.

Dit vermogen berust op een van binnenuit betrokken raken, zoals ook in de joods-christelijke traditie is beschreven: ,,Indien het oog zuiver is, dan zal het hele lichaam verlicht zijn'' (Mattheus 6:22), waarbij `zuiver' betekent enkelvoudig, onverdeeld.

Misschien wordt het oog toch nog te veel gebruikt om dingen te grijpen, en te weinig om het licht toe te laten.

Dr. Lukas van Spengler is auteur van `Hoe waarden veranderen' (1994) en `Crisislessen' (1993). Hij was raadadviseur bij de premiers Lubbers en Kok .

    • Lukas van Spengler