`Banaal en heel subliem'

Saxofonist Tobias Delius kwam twintig jaar geleden naar Nederland en vond meteen zijn draai in de jazz-scene. Deze week kreeg hij de Boy Edgar Prijs. ,,Ik had de mazzel om inspirerende muzikanten tegen te komen.''

Een vol postuur en twinkelende ogen in een open, rond gezicht. Tobias Delius (39) ziet eruit zoals zijn tenorsaxofoon klinkt. En het is die warme, gloedvolle, gulle, bijna romantische toon die voor de jury van de VPRO/Boy Edgar Prijs de belangrijkste reden was om hem de belangrijkste jazzprijs van Nederland toe te kennen.

Toch is Delius zelden tevreden als hij zichzelf terughoort. Daarom bracht hij pas in 1997 zijn eerste album onder eigen naam uit. En dan nog waren er de veelvuldige aansporingen van Han Bennink en Misha Mengelberg voor nodig om The Heron daadwerkelijk gerealiseerd te krijgen. ,,Het moeten beslissen wat wel en wat niet op zo'n plaat mag, vind ik na drie albums nog steeds moeilijk. Maar het is de enige manier – buiten concerten – om mijn muziek te laten horen. Zo ben ikzelf ook in aanraking gekomen met werk dat mij heeft geïnspireerd. Zonder hulp van anderen zou het me niet gelukt zijn.''

Jarenlang speelde Delius in de bands van die anderen. Al binnen een week nadat hij in 1984 was neergestreken in Amsterdam maakte de uit een Duitse moeder en Argentijnse vader geboren Engelsman kennis met collega's Sean Bergin en Daniel D'Agaro. Als twintiger trad hij vooral op met de oude garde uit de improscene. ,,Dat vond men raar, maar voor mij lag het voor de hand; ik kende geen leukere drummer dan Han Bennink.'' In de loop der jaren speelde hij met Available Jelly, het Van Bommel Quartet, het Paul van Kemenade Sextet en MOB - om maar een paar bands te noemen. ,,Ik had de mazzel om meteen inspirerende muzikanten tegen te komen. Ik vind vrij makkelijk een plek waar ik mezelf kan zijn, zowel sociaal als muzikaal.''

Die plek definieert Delius als ,,speelse warmte, waarin ruimte is voor verschillende stemmen''. Niet dat hij altijd naar uitgebalanceerde harmonie zoekt. ,,Die ruimte kan op verschillende manieren uitpakken. Je hoeft in een improvisatieband niet alsmaar heel voorzichtig de deur voor elkaar open te houden; soms probeer je je er allemaal tegelijk doorheen te persen.''

Delius vindt het heerlijk andermans composities te spelen, vooral ,,als ik ermee mag rommelen''. Voor zijn eigen kwartet wil hij alles zelf schrijven. ,,Ik ben een trage componist, vind schrijven ook geen fijne bezigheid. Het is broeden en balen. Je wordt gedwongen heel precieze keuzes te maken. Wat ik schrijf zijn korte dingetjes, materiaal om mee aan de slag te gaan. Als een compositie de improvisatie belemmert dan dient-ie niet waarvoor hij bedoeld is.''

Delius leeft om te spelen. Microfoons vindt hij storend want die moet je in de gaten houden. Nooit zal hij DAT-recorders naar concerten meeslepen, al was het alleen maar omdat hij in zijn concentratie zou vergeten op het rec-knopje te drukken. Het publiek, daar gaat het om. ,,Live muziek met publiek, dat vind ik zo'n mooi gegeven. Zelfs als het publiek het worst zal wezen. Ik heb het gezien op de markt in Mexico-stad. Daar stonden drie dansorkesten tegen elkaar in te spelen en de groenteverkopers schreeuwden er dwars doorheen. Toch deed het wat. Het is een combinatie van iets dagelijks banaals en iets heel subliems.''

En wat hij daar dan zelf als muzikant uithaalt? Als antwoord vertelt Delius over het concert dat hij laatst met Mischa Mengelbergs ICP-orkest gaf voor een groep Franse schoolkinderen. ,,Die kinderen vroegen na afloop `Wat betekent ICP eigenlijk?' Misha dacht lang na en zei toen: `fun'. Dat vond ik eigenlijk wel een heel goed antwoord.''

    • Edo Dijksterhuis