Strengere normen voor brandveilige kleding

Als het aan minister Hoogervorst ligt, neemt het toekomstige warenwetbesluit `Brandveiligheid kleding' minder strenge Amerikaanse en Zweedse normen over.

Brandwonden behoren tot de ernstigste letsels die mensen kunnen oplopen. De behandeling gaat vergezeld van lichamelijke en geestelijke pijn en de wonden leveren vaak blijvende schade op – in elk geval littekens.

Volgens het rapport van de Stichting Consument en Veiligheid `Brandbaarheid van kleding, risico's voor de consument', worden jaarlijks gemiddeld 100 mensen op een Spoedeisende Hulpafdeling (SEH) van een aantal ziekenhuizen opgenomen na een privé-ongeval met brandende kleding. 78 worden in een ziekenhuis opgenomen en 6 à 8 overlijden. Vergeleken met andere privé-ongevallen komt het niet vaak voor, want het totale aantal privé-ongevallen dat jaarlijks leidt tot een SEH-behandeling is 550.000. Daarnaast worden nog gemiddeld 98 mensen opgenomen door het vlam vatten van bijvoorbeeld benzine en vet met het in brand vliegen van kleding als mogelijk gevolg.

De medische kosten van dergelijke ongevallen bedragen gemiddeld 2.800 euro per slachtoffer tegenover 900 euro voor privé-ongevallen in het algemeen.

Opvallend is, dat meestal de brandende kleding het bovenlichaam bedekt, waardoor ruim de helft van de slachtoffers letsel heeft aan romp, bovenste ledematen en vaak ook het hoofd. Verder lopen jongeren tot 20 jaar en ouderen boven de 70 meer kans op een ziekenhuisopname. Onder de dodelijke slachtoffers lopen ouderen en vrouwen een naar verhouding grote kans.

De vraag is, hoe kleding in brand kan vliegen. Volgens de Stichting gebeurt dat door een eerste aanraking van het kledingstuk met de ontstekingsbron, gevolgd door het doorbranden van de kleding en het ontstaan van letsel. Meestal zal het slachtoffer zelf eerst proberen de vlammen te doven, vaak door het kledingstuk over het hoofd te trekken wat de gevolgen meestal alleen maar verergert. De kans op een ongeval is zeer groot bij gebeurtenissen buiten het slachtoffer om, zoals vallende kaarsen, of bij gebruikelijke handelingen zoals een pan van het vuur halen, waarbij wijde kleding zoals jurken en nachtponnen snel vlam vat, want die kleding bevordert de zuurstoftoevoer. Ook het materiaal speelt een rol: volgens de Keuringsdienst van Waren is vooral viscosehoudende kleding, ofwel kunstzijde, riskant. ,,Het risico laag of beperkt houden kan in beginsel door de ernst te verminderen of de kans te verkleinen'' aldus de Stichting.

Consumenten zijn zich over het algemeen weinig bewust van de risico's (kans maal gevolg) die zij lopen: men ziet de menselijke invloed op het gevaar niet: ,,mij overkomt het toch niet''.

,,Omdat uit de letselregistratie enige oververtegenwoordiging blijkt van ouderen en kinderen, lijkt het op het eerste gezicht logisch om voor deze groepen een hoger beschermingsniveau te kiezen'', stelt de Stichting. Zij acht dat echter niet gerechtvaardigd omdat het verschil in kans klein is en kleding voor ouderen geen afzonderlijke categorie is. Daarom wordt voorgesteld om de consument te waarschuwen met labels in de kleding, zoals volgens het Convenant Brandveiligheid Nachtkleding gebeurt. Bovendien moet de ontsteekbaarheid en de snelheid van vlamverspreiding worden beperkt. In de Verenigde Staten pleit men voor een verscherping van de norm voor brandbare kleding onder andere door het verhogen van de ontstekingstijd van één seconde naar minstens vijf overeenkomstig het Nederlandse Convenant Nachtkleding. ,,Speciale beschermingsniveaus zijn dus niet nodig.'' Ook drs. A.D.J. Kaasjager van TNO Industrie stelde in april 2001 in een rapport over brandveilige kleding voor om aan te sluiten bij de normen voor brandgevaarlijk textiel in Zweden en met name de VS. ,,De aanbevolen eisen lenen zich meer voor een warenwet dan voor een convenant.''

De VWA verwerpt dit advies van de Stichting Consument en Veiligheid: niet de Amerikaanse maar de Europese richtlijn Algemene Productveiligheid van 2001 EN 1103 met een vlamcontacttijd van 10 seconden moet worden opgenomen in de Warenwet. Verder wil de VWA dat het verschil dat wordt aangehouden tussen nachtkleding voor volwassenen en kinderen wordt doorgetrokken naar gewone kleding en wel om kinderen wegens hun geringe zelfredzaamheid te beschermen. Minister Hoogervorst volgt daarentegen de lijn van de Stichting Consument en Veiligheid en van TNO Industrie.

In zijn brief aan de Tweede Kamer deelde de minister het standpunt van de VWA, dat regels zowel voor consumenten en producenten duidelijk moeten zijn: welk beschermingsniveau precies kan worden verwacht respectievelijk geboden. De minister zegt niet of hij de nu nog vrijwillige Europese norm in EU-verband zal nastreven. Hij zou namelijk op korte termijn de Amerikaanse en Zweedse normen kunnen overnemen en op middellange termijn streven naar algemene Europese regels.

    • Robert van der Veen