Stilte over Irak

Waarom wordt er in Nederland toch zo weinig, en zo weinig fel, gedebatteerd over de uitzending van soldaten naar (Zuid-)Irak, over de politieke merites en de militaire risico's daarvan? Waarom is over een mandaat voor een tweede halfjaar in beginsel al positief beslist? Hoewel die vervolgperiode pas over een paar maanden begint en we de mogelijkheid om alsdan `voorwaarden' te stellen daardoor nu al zo goed als vergeven hebben (een eerdere grotere rol van de VN en de eigen bevolking bij de opbouw van Irak bijvoorbeeld)? Zal het debat pas losbarsten, dan in emotionele termen en met klemmende verwijten, nadat er in Irak ook Nederlandse soldaten zijn gevallen en het perspectief voor publiek en politiek dramatisch is veranderd?

Collega's hebben zichzelf en elkaar in de afgelopen dagen die vragen gesteld. Mij vroegen zij of ik daar niet eens wat over zou willen (moeten) schrijven. Kennelijk veronderstelden zij dat ik hun verbazing over het ontbreken van zo'n gepassioneerd nationaal debat deel, of me er (ook) zorgen over maak. Nu, dat zit nog, die paar keer dat Nederland massaal en hevig confereerde over een veiligheidskwestie, zoals ooit jarenlang over de kruisraket, hoef je niet per se als hoogwaardige debatten te koesteren in je geheugen. Samen radeloos en/of boos zijn is nog geen debat. Daarom laat ik het bij een poging tot verklaring.

Eerst het politieke debat, waarop naar de frequentie en procedures weinig valt aan te merken. Regering en Tweede Kamer zijn geregeld met elkaar in gesprek, de informatievoorziening is correct, de regering trekt zich parlementaire vertogen aangaande de risico's van de Irak-operatie aan. De `tussenpositie' die Nederland begin dit jaar innam, tussen Berlijn, Brussel en Parijs aan de ene kant en Washington, Londen, Madrid en Rome aan de andere, had te maken met de uiteindelijk mislukte poging om een coalitie van CDA en PvdA te vormen. Van het toen bereikte moeizame compromis (politieke maar geen militaire steun voor de Amerikaans-Britse actie) kwam het eerste deel van het CDA, het tweede van de PvdA. Toen het CDA in de formatie vervolgens de koers verlegde naar de VVD en de PvdA oppositiepartij bleef, werd dat anders. De `pro-Washington-lijn' van het CDA werd als het ware vanzelf ongeclausuleerder terwijl de hernomen vrijheid de PvdA haast vanzelf, zo men wil: zelfs nog ongeacht de feitelijke ontwikkelingen in en rondom Irak, in de tegengestelde richting liet gaan. Kortom: toen het nieuwe kabinet voor de vraag kwam te staan of Nederland soldaten naar Irak zou sturen, moest er natuurlijk wel over risico's en de lokatiekeuze worden gesproken, maar waren de houding van de coalitiepartijen en de oppositie gemarkeerd. Het decor en de teksten stonden min of meer vast en waren bekend, wat geen prikkelende voorstelling beloofde. Bovendien was de slechte economie, en de gevolgen daarvan, intussen als hét discussiethema voor burgers en politici extra zwaar op de agenda gekomen.

Ironisch én paradoxaal was het dat die `tussenpositie' uit het mislukte eerste deel van de formatie, en de voorzichtige houding die Den Haag mede daarom koos tussen de NAVO- en EU-partners, bijvoorbeeld door niet mee te doen met een adhesiebetuiging aan de VS in The Wall Street Journal, nadien nog ongedachte gevolgen zou hebben. Namelijk doordat die positie, hoewel het gevormde tweede kabinet-Balkenende al op de pro-Washington-lijn zat, toch nog bijdroeg aan het brede internationale draagvlak voor de kandidatuur van de minister van Buitenlandse Zaken voor de post van secretaris-generaal van de NAVO. Zogezien mocht de CDA'er De Hoop Scheffer de PvdA een beetje bedanken voor de uiteindelijke steun voor zijn kandidatuur uit Berlijn en Parijs. En je hoeft niet zó kwaadsappig te zijn om te bedenken dat die kandidatuur sinds afgelopen zomer de neiging tot obstinaat gedrag van het NAVO-lid Nederland in het Irak-dossier nog wat verder heeft beperkt. Politici zijn tenslotte ook maar mensen.

Waarbij het nuttig is om te beseffen dat, nu Nederlandse soldaten eenmaal in Irak zijn, het politiek moeilijk is zonder dwingende redenen `nee' te zeggen tegen verlenging van hun mandaat met nog een half jaar.

Natuurlijk tellen, ook voor het publieke debat, dingen mee als `Srebrenica' en het feit dat de dienstplicht tien jaar geleden is afgeschaft (officieel: opgeschort). Sinds de hulpeloze Nederlandse rol in de Bosnische enclave in juli 1995 bestaat vooral op Buitenlandse Zaken een behoefte om te laten zien dat Nederlandse militairen wel degelijk in staat zijn om, mits voorzien van voldoende bewapening en een passend mandaat, een bijdrage aan vredesacties te leveren. Dat sentiment leeft ook buiten de politieke wereld. Waarbij komt dat de gemotiveerde beroepsmilitairen in Irak niet verlangen naar een nationaal debat met angstige vragen. De afschaffing van de dienstplicht in een land zonder grote krijgskundige historie heeft Defensie bovendien op nog meer afstand van een maatschappelijk debat gezet en ook op een lagere plek in de politiek-publicitaire rangorde. Ten tijde van de dienstplicht had iedereen die onvrijwillig, namelijk `voor zijn nummer', moest opkomen familieleden, buren, vrienden, die meeleefden en bij wie hij als vanzelf op enige belangstelling voor het (zijn) militaire bedrijf mocht rekenen. Dat is nu, bij een kleiner aantal militairen, die hun beroep vrijwillig en inclusief eventuele risico's kozen, een slag anders, en dat is de media en de politici niet ontgaan. De VVD'er De Grave, minister van Defensie in het tweede kabinet-Kok, die liefst anderhalf miljard gulden moest bezuinigen, organiseerde 1999 een Strategische Toekomstdiscussie (STD) om daarmee het publieke draagvlak voor de krijgsmacht te verstevigen. In die STD-discussie bleek niet van grote aandacht buiten de vaste groep van Defense-watchers. Maar De Grave was tevreden over de uitkomst, schreef hij de Kamer. In de formatie van Balkenende-I (2002) werd een nog groter bedrag op Defensie bezuinigd. Balkenende-II droeg minister Kamp minder dan een jaar later op om er nog eens flink wat af te doen. Het bleef inzake Defensie opnieuw vrij stil. Die stilte houdt aan, ook als het om Nederlandse soldaten in Irak gaat. Zij zegt toch wat. Namelijk over ons. Morgen wordt het, afhankelijk van de berichten uit Irak, misschien anders. Dat zien we dan.